Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC2575

Datum uitspraak2008-01-03
Datum gepubliceerd2008-01-23
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Breda
ZaaknummersAWB 06/4778
Statusgepubliceerd


Indicatie

Belanghebbende is akkerbouwer en heeft een grootveebezetting van 2,5 of minder. Belanghebbende stelt dat hij zijn positieve fosfaatsaldo over het jaar 2004 kan verrekenen met het negatieve fosfaatsaldo over de jaren 2001 tot en met 2003. De rechtbank verwerpt deze stelling, nu verrekening niet mogelijk is bij een grootveebezetting van 2,5 of minder. De stelling van belanghebbende dat deze grens niet op hem van toepassing kan zijn omdat hij een akkerbouwer is, wordt eveneens door de rechtbank verworpen.


Uitspraak

RECHTBANK BREDA Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer Procedurenummer: AWB 06/4778 Uitspraakdatum: 3 januari 2008 Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen [belanghebbende], wonende te [woonplaats], eiser, en de inspecteur, verweerder. Eiser en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur. De bestreden uitspraak op bezwaar De uitspraak van de inspecteur van 22 augustus 2006 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag fosfaatheffing over het jaar 2004. Zitting De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting met toestemming van partijen achterwege gelaten. 1. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. 2. Gronden 2.1 Belanghebbende drijft een akkerbouwbedrijf en heeft voor het jaar 2004 een zogenaamde verfijnde mineralenaangifte gedaan op grond van de artikelen 22 tot en met 28 van de Meststoffenwet, resulterend in een verschuldigd bedrag aan fosfaatheffing van € 15.372. Belanghebbende heeft dit bedrag niet betaald. De inspecteur heeft om die reden een naheffingsaanslag opgelegd ten bedrage van € 15.372. 2.2 Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan. 2.3 Belanghebbende heeft in ieder van de jaren 2001 tot en met 2003 meer mest afgevoerd dan aangevoerd. Dit heeft geleid tot een negatief fosfaatsaldo van in totaal 1.809 kg. In 2004 heeft belanghebbende meer mest aangevoerd dan afgevoerd. Dit heeft als gevolg dat het fosfaatsaldo voor dat jaar 1.690 kg bedraagt. Belanghebbende stelt dat het fosfaatsaldo over het jaar 2004 verrekend kan worden met het negatieve saldo over de jaren 2001 tot en met 2003, zodat hij over het jaar 2004 geen fosfaatheffing verschuldigd is. 2.4 Op grond van artikel 43 van de Meststoffenwet is verrekening mogelijk van belastbare hoeveelheden fosfaat van minder dan nihil met belastbare hoeveelheden fosfaat van andere kalenderjaren. Op grond van artikel 18 van de Regeling uitvoering heffingen en verrekening Meststoffenwet (hierna: Regeling) komt voor verrekening niet in aanmerking een in een tijdvak vastgestelde belastbare hoeveelheid fosfaat van minder dan nihil, indien de veebezetting op het bedrijf van de heffingplichtige in dat tijdvak kleiner of gelijk is aan 2,5 grootvee-eenheden per hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond. 2.5 Niet in geschil is dat het (akkerbouw)bedrijf van belanghebbende een veebezetting had van 2,5 of minder grootvee-eenheden per hectare in de jaren waarover in beginsel verrekening zou kunnen plaatsvinden. Om deze reden is de rechtbank van oordeel dat het fosfaatsaldo van het jaar 2004 niet in aanmerking komt voor verrekening met het negatieve saldo over de jaren 2001 tot en met 2003. 2.6 Belanghebbendes stelling dat, nu hij een akkerbouwer is, de in artikel 18 van de Regeling opgenomen grens niet op hem van toepassing kan zijn, vindt naar het oordeel van de rechtbank geen steun in het recht en wordt daarom verworpen. Voor zover belanghebbende met deze stelling heeft bedoeld dat de onverkorte toepassing van artikel 18 van de Regeling voor hem tot een onredelijke of onbillijke uitkomst leidt, kan deze hem niet baten nu de rechtbank ingevolge artikel 11 van de Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk (Stb. 1822, 10 en Stb. 1829, 28) in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van de wet mag beoordelen. 2.7 De rechtbank is voorts van oordeel dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd, nu het daaruit voortvloeiende bedrag aan verschuldigde fosfaatheffing is vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 22 tot en met 28 van de Meststoffenwet en belanghebbende de berekening niet heeft bestreden. 2.8 Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard. 3. Proceskosten De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Deze uitspraak is gedaan op 3 januari 2008 door mr. D. Hund, voorzitter, mr. W. Brouwer en mr. drs. G.H.C. Blommers, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.M.J.F. Jansen, griffier. Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch. Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen: 1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. 2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep.