Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC2675

Datum uitspraak2007-12-28
Datum gepubliceerd2008-01-28
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHerziening
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/4448 AOW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Afwijzing verzoek herziening. Geen nieuwe feiten of omstandigheden.


Uitspraak

06/4448 AOW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K Met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht op het verzoek van: [Verzoeker], om herziening van de uitspraak van de Raad van 23 juni 2006, 03/4137, (hierna: de aangevallen uitspraak), in het geding tussen: verzoeker en de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (hierna: Svb). Datum uitspraak: 28 december 2007 I. PROCESVERLOOP Bij de aangevallen uitspraak heeft de Raad bevestigd de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 augustus 2003, nr. 03/2096. Namens verzoeker heeft W. Leufkens, de gemachtigde, bij verzoek van 28 juli 2006, verzocht om herziening van de aangevallen uitspraak en vergoeding van de proceskosten. Door de Svb is bij brief van 14 augustus 2006 gereageerd, waarna namens verzoeker onder andere op 18 augustus 2006, 26 november 2006, 23 januari 2007, 27 augustus 2007 en 9 oktober 2007 een nadere toelichting is gegeven. Het verzoek is aan de orde gesteld ter zitting van de Raad van 15 november 2007. Partijen zijn daar, zoals zij tevoren hadden bericht, niet verschenen. II. OVERWEGINGEN Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die: a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak; b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. Verzoeker heeft aan zijn verzoek om herziening in essentie ten gronde gelegd dat de Raad in de aangevallen uitspraak een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJ EG) van 21 september 2000, Borawitz, C-124/99. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 3 oktober 2003, LJN AN 7982, is het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet gegeven om anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb juncto artikel 21 van de Beroepswet, een hernieuwde discussie over de betrokken uitspraak te openen. Het verzoek om herziening dient dan ook te worden afgewezen, nu gesteld noch gebleken is dat namens verzoeker enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als bedoeld in genoemde bepalingen van de Awb naar voren is gebracht. Het verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag wijst de Raad af. Het gemeenschapsrecht gebiedt de nationale rechter niet om artikel 8:88 van de Awb buiten toepassing te laten. De Raad wijst in dat verband op de uitspraak van het HvJ EG van 16 maart 2006, Rosemarie Kapferer, C-234/04. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Wijst het verzoek om herziening af. Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en H.J. Simon als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 december 2007. (get.) M.M. van der Kade. (get.) A.C. Palmboom. EK