Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC2962

Datum uitspraak2007-11-20
Datum gepubliceerd2008-02-01
RechtsgebiedFaillissement
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers07/1076
Statusgepubliceerd


Indicatie

Voor faillietverklaring op eigen aangifte, nadat schuldsanering is beëindigd zonder ‘schone lei’, behoeft niet te blijken van enig tegoed. Faillietverklaring in hoger beroep uitgesproken.


Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER ARREST van 20 november 2007 in de zaak met rekestnummer 07/1076 van: [...], wonende aan [...], APPELLANTE, procureur: mr. M.E. Mungroop. 1. Het geding in hoger beroep 1.1. Appellante - [...] - is bij per fax op 27 september 2007 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 19 september 2007 met rekestnummer 378518/FT-EA 07.184, waarbij het verzoek van appellante tot faillietverklaring op eigen aangifte, is afgewezen. 1.2. Het hoger beroep is behandeld ter terechtzitting van 16 november 2007. Bij die behandeling is appellante verschenen, bijgestaan door haar procureur voornoemd. 2. De gronden van de beslissing 2.1. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is het volgende gebleken. 2.2. Appellante is een vrouw van 52 jaar oud. Zij ontvangt een bijstandsuitkering. Bij vonnis van 17 september 2001 is appellante toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Op 15 december 2004 is de schuldsanering beëindigd zonder toekenning van de “schone lei”. 2.3. Volgens de verklaring ‘eigen aangifte tot faillietverklaring (natuurlijk persoon)’ heeft appellante een schuldenlast van € 31.277,71. 2.4. De rechtbank heeft in de beslissing waarvan beroep overwogen dat analoog aan artikel 18 laatste zin van de Faillissementswet (Fw) zal moeten blijken van enig tegoed wil het faillissement kunnen worden uitgesproken. Vast staat, aldus de rechtbank, dat er niets is (van betekenis), zodat het verzoek tot faillietverklaring van appellante moet worden afgewezen. 2.5. Appellante heeft gemotiveerd gesteld dat de rechtbank een onjuiste maatstaf heeft toegepast bij haar oordeel tot afwijzing van het verzoek van appellante tot faillietverklaring op eigen aangifte. 2.6. Het hof komt tot de volgende beoordeling. Voor een analoge toepassing van artikel 18 slot Fw op de situatie als de onderhavige, te weten een aanvraag tot faillietverklaring nadat de schuldsanering in 2004 is beëindigd zonder toekenning van de “schone lei” is geen steun te vinden in het recht. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte overwogen dat moet blijken van enig tegoed wil het faillissement van appellante kunnen worden uitgesproken. Voorts is uit de inhoud van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep voldoende aannemelijk geworden dat appellante meerdere crediteuren onbetaald laat en zij gelet op haar inkomen niet in staat is deze te voldoen. Gelet hierop is summierlijk gebleken van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat appellante in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen. 2.7. Nu voorts niet is gebleken dat sprake is van misbruik van bevoegdheid bij de aanvraag van het onderhavige faillissement, dient de uitspraak waarvan beroep te worden vernietigd en het oorspronkelijke verzoek alsnog op hierna te melden wijze te worden toegewezen. 3. De beslissing Het hof: - vernietigt de uitspraak waarvan beroep; - verklaart appellante in staat van faillissement; - verwijst de zaak terug naar de rechtbank Amsterdam teneinde met inachtneming van deze beslissing verder te worden afgedaan, de benoeming van een rechter-commissaris en aanstelling van een curator daaronder begrepen. Dit arrest is gewezen door mrs. A.D.R.M. Boumans, M.W.E. Koopmann en M. Flipse en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het hof van 20 november 2007 in tegenwoordigheid van de griffier. Van dit arrest kan gedurende acht dagen na die van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.