Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC3224

Datum uitspraak2008-01-29
Datum gepubliceerd2008-01-31
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Utrecht
Zaaknummers16/442847-07
Statusgepubliceerd


Indicatie

MK-snelrecht. Ontkennende verdachte.


Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT Sector strafrecht Parketnummers: 16/442847-07; 16/441918-07 (tul) Datum uitspraak: 29 januari 2008 Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen in de zaak tegen: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats], wonende te [woonadres], [woonplaats]. Raadsman: mr. D.C. van den Heuvel, uitdrukkelijk gemachtigde. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 januari 2008. De tenlastelegging Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat 1. hij op of omstreeks 26 maart 2007 te Utrecht als degene van wie ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs was gevorderd en/of als degene van wie zijn rijbewijs was ingevorderd en aan wie dat bewijs niet was teruggegeven, op de weg, de van Asch van Wijckskade, een motorrijtuig, (personen)auto), van de categorie of categorieën, waarvoor dat rijbewijs was afgegeven, heeft bestuurd; De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de geldende wegenverkeerswetgeving betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd; art 9 lid 7 Wegenverkeerswet 1994 2. Primair (parketnr. 600396-07:) hij op of omstreeks 05 april 2007 te Nieuwegein, althans in het arrondissement Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid (18,7 liter) benzine, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Shell Nederland BV, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s); art 310 Wetboek van Strafrecht art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht Subsidiair hij op of omstreeks 05 april 2007 te Nieuwegein, althans in het arrondissement Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk 18,7 liter liter benzine, in elk geval een hoeveelheid benzine, geheel of ten dele toebehorende aan Shell Nederland BV, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s) en welke benzine verdachte en / of zijn mededader(s) bij een voor zelfbediening ingerichte benzinepompinstallatie, gelegen aan de A.C. Verhoefweg, had getankt, onder gehoudenheid die benzine te betalen en welke benzine verdachte en / of zijn mededader(s) aldus en in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend; art 321 Wetboek van Strafrecht 3. hij op of omstreeks 05 april 2007 te Nieuwegein, althans in het arrondissement Utrecht, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en/of aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen; De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd; art 163 lid 2 Wegenverkeerswet 1994 art 8 lid 2 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994 4. hij op of omstreeks 05 april 2007 te Nieuwegein, althans in het arrondissement Utrecht, als degene van wie ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs was gevorderd en/of alsdegene van wie zijn rijbewijs was ingevorderd en aan wie dat bewijs niet was teruggegeven, op de weg, de Ravensewetering, een motorrijtuig, (personenauto), van de categorie of categorieën, waarvoor dat rijbewijs was afgegeven, heeft bestuurd; De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de geldende wegenverkeerswetgeving betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd; art 9 lid 7 Wegenverkeerswet 1994 5. (parketnr. 443473-07:) hij op of omstreeks 11 september 2004 te Houten, althans in het arrondissement Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit een bedrijfspand gelegen aan de [adres] aldaar weg te nemen geld en/of goed(eren), althans datgene wat van zijn gading zou blijken te zijn, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot voornoemd bedrijfspand te verschaffen en / of die / dat weg te nemen geld en/of goed(eren) onder zijn bereik te brengen door een steen voor een ruit van een deur van meergenoemd bedrijfspand te gooien en/of te werpen,en vervolgens dat bedrijfspand te betreden, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid; art 310 Wetboek van Strafrecht art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht Het bewijs en de beoordeling daarvan Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht de feiten 1, 2 primair, 3, 4 en 5 wettig en overtuigend bewezen. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich ten aanzien van de vraag of feit 3 wettig en overtuigend kan worden bewezen gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Voor wat betreft de overige aan verdachte verweten feiten heeft de raadsman vrijspraak bepleit. Het oordeel van de rechtbank Feit 1: Het dossier bevat het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1]. Uit dit proces-verbaal blijkt dat hij op 26 maart 2007 een Fiat Tipo voorzien van het kenteken [kenteken] over de Breedstraat en de Asch van Wijckskade te Utrecht ziet rijden. Vanwege de opvallende rijroute geeft hij de bestuurder een stopteken. De bestuurder kan geen rijbewijs tonen en krijgt daarvoor een boete. Teruggekomen op het bureau verneemt [verbalisant 1] van een collega, dat deze verdachte die dag om 02.10 uur had aangehouden ter zake het rijden onder invloed van alcohol. Verdachte had een ademanalyse geweigerd, waarna zijn rijbewijs is ingevorderd en hem een rijverbod van 24 uren is opgelegd. [verbalisant 1] herkent verdachte van een kopie van diens rijbewijs. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend bewezen kan worden. Feit 2: Nu naar het oordeel van de rechtbank niet vastgesteld kan worden dat verdachte wetenschap had van het feit dat benzine werd getankt zonder daarvoor te betalen, moet hij daarvan worden vrijgesproken Feit 3 en 4: Ten aanzien van feit 4 omvat het dossier een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2]. Dit proces-verbaal van bevindingen houdt in, dat de betreffende verbalisant op 5 april 2007 de hem ambtshalve bekende verdachte in een auto - een Fiat Tipo - over de Ravensewetering te Nieuwegein ziet rijden. Navraag leert de verbalisant dat het rijbewijs van verdachte was ingevorderd. Op verdenking van alcomobilisme wordt verdachte op 5 april 2007 gevraagd mee te werken aan een ademanalyse, zo blijkt uit een proces-verbaal van bevindingen. Hieruit blijkt ook dat verdachte dit weigert en zegt “ach jochie, ga toch weg. Doei!” en vervolgens wegloopt. Wanneer de verbalisant hem zegt dat hij zich dan schuldig maakt aan een misdrijf hoort hij verdachte zeggen: “ach, ga toch weg, ik heb gelopen en niet gereden. Ik doe die blaastest niet”. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Voor de stelling van de raadsman, dat het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] niet betrouwbaar is, nu deze zich heeft vergist in de kleur van de auto waarin verdachte heeft gereden, biedt het dossier naar het oordeel van de rechtbank geen aanknopingspunten. Feit 5: Op 13 september 2004 doet [aangever] aangifte van een poging tot inbraak in zijn bedrijfspand, een autogarage aan de Peppelkade te Houten. Hij constateert dat een steen door de showroomruit is gegooid, die ook de motorkap heeft geraakt van een auto. Op de motorkap van die auto treft hij bloedspatten aan. De bloedspatten worden bemonsterd en naar het NFI verstuurd. Uit onderzoek door het NFI blijkt het DNA-profiel van verdachte hiermee overeen te komen. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend bewezen kan worden. De bewezenverklaring De rechtbank acht gelet op hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte: 1. op 26 maart 2007 te Utrecht als degene van wie zijn rijbewijs was ingevorderd en aan wie dat bewijs niet was teruggegeven, op de weg, de van Asch van Wijckskade, een motorrijtuig, personenauto, van de categorie waarvoor dat rijbewijs was afgegeven, heeft bestuurd; 3. op 05 april 2007 te Nieuwegein, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat; 4. op 05 april 2007 te Nieuwegein, als degene van wie zijn rijbewijs was ingevorderd en aan wie dat bewijs niet was teruggegeven, op de weg, de Ravensewetering, een motorrijtuig, personenauto, van de categorie waarvoor dat rijbewijs was afgegeven, heeft bestuurd; 5. op 11 september 2004 te Houten, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een bedrijfspand gelegen aan de [adres] aldaar weg te nemen geld en/of goed(eren), althans datgene wat van zijn gading zou blijken te zijn, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot voornoemd bedrijfspand te verschaffen en / of die / dat weg te nemen geld en/of goed(eren) onder zijn bereik te brengen door een steen voor een ruit van een deur van meergenoemd bedrijfspand te gooien, en vervolgens dat bedrijfspand te betreden, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid; Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. De strafbaarheid van de feiten Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op. Ten aanzien van het onder 1 en 4 bewezenverklaarde: Overtreding van artikel 9, zevende lid, van de Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd. Ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde: Overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Ten aanzien van het onder 5 bewezenverklaarde: Poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak. De strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. Motivering van de op te leggen sanctie 1. Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, alsmede de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. 2. De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ter zake van de onder 1, 2 primair 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden en ten aanzien van feit 3 een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 maanden. 3. De rechtbank acht een geheel onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur op zijn plaats op grond van de navolgende overwegingen. 4. Verdachte heeft zich aan verschillende strafbare feiten schuldig gemaakt, op de wijze als in de bewezenverklaring is omschreven. Verdachte heeft er blijk van gegeven geen respect te hebben voor beslissingen die door bevoegde overheidsinstantie zijn gegeven noch voor de eigendommen van anderen. 5. In het nadeel van verdachte laat de rechtbank zijn strafblad d.d. 10 december 2007 wegen, dat omvangrijk is en waaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor soortgelijke delicten. 6. Ondanks dat verdachte van het onder 2 ten laste gelegde wordt vrijgesproken zal de rechtbank de officier van justitie volgen in haar eis. Met name in het omvangrijke strafblad van verdachte, zoals onder 5 aangehaald, vindt de rechtbank hierin aanleiding. 7. Bij onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter in deze rechtbank van 15 juni 2007 is de verdachte veroordeeld tot een geldboete van EURO 900,00 subsidiair 18 dagen hechtenis, waarvan EURO 400,00 subsidiair 8 dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en de voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De officier van justitie vordert thans dat de tenuitvoerlegging van genoemde voorwaardelijke gevangenisstraf wordt gelast. Nu de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd opnieuw aan strafbare feiten heeft schuldig gemaakt, te weten de hiervoor bewezen verklaarde feiten, heeft de veroordeelde voornoemde voorwaarde overtreden. De rechtbank zal de tenuitvoerlegging van genoemde voorwaardelijke geldboete van EURO 400,00 subsidiair 8 dagen hechtenis gelasten, waarbij de rechtbank heeft acht geslagen op artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht. De toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is naast de hiervoor genoemde bepalingen gegrond op de artikelen 45, 57, 63, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en op artikel 176 van de Wegenverkeerswet 1994. DE BESLISSING De rechtbank beslist als volgt: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor vermeld, heeft begaan. Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 1, 3, 4 en 5 telkens meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert. Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 4 (VIER) maanden. Veroordeelt de verdachte wegens het onder 3 bewezen verklaarde feit voorts tot ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 (NEGEN) maanden. Ten aanzien van parketnummer 16/441918-07: Gelast de tenuitvoerlegging van de geldboete, groot EURO 400,00, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij voornoemd vonnis d.d. 15 juni 2007. Dit vonnis is gewezen door mrs. G.A. Bos, P.K. van Riemsdijk en M.P. Gerrits-Janssens , bijgestaan door mr. J.A. van Wageningen als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 januari 2008. Mr. Gerrits-Janssens is buiten staat dit vonnis mee te ondertekenen.