Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC3244

Datum uitspraak2008-01-04
Datum gepubliceerd2008-01-31
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Rotterdam
ZaaknummersTELEC 06/4880-WILD
Statusgepubliceerd


Indicatie

Verzoek om terug te komen op een rechtens onaantastbaar besluit.


Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM Sector Bestuursrecht Enkelvoudige kamer Reg.nr.: TELEC 06/4880-WILD Uitspraak in het geding tussen SLAM!FM B.V., gevestigd te Hilversum, eiseres, gemachtigde mr. H.J. Breeman, en de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder. 1 Ontstaan en loop van de procedure Bij brief van 19 januari 2006 heeft eiseres aan verweerder verzocht om terug te komen op zijn rechtens onaantastbare besluit van 27 oktober 2003, waarin het “eenmalig bedrag landelijke commerciële radio-omroep” ad € 2.396.084,00 bij eiseres in rekening is gebracht. Bij besluit van 14 februari 2006 heeft verweerder dit verzoek afgewezen. Bij besluit van 30 oktober 2006 heeft verweerder het hiertegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiseres bij brief van 11 december 2006 beroep ingesteld. Verweerder heeft bij brief van 12 november 2007 een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2007, alwaar voor eiseres is verschenen mr. M. Hoogesteger, kantoorgenoot van mr. Breeman, voornoemd. Verweerder heeft zich bij die gelegenheid doen vertegenwoordigen door zijn medewerker mr. O.F.V. de Bruijne. 2 Overwegingen Bij het inleidende verzoek heeft eiseres zich beroepen op een uitspraak van deze rechtbank van 27 september 2005, LJN AU4396. De inhoud van inmiddels tot stand gekomen jurisprudentie vormt op zichzelf echter geen grond voor het doorbreken van het rechtens onaantastbaar zijn van besluiten waartegen geen beroep bij de rechter is ingesteld. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 december 1997, LJN ZB7375. Eiseres heeft in bezwaar voorts aangevoerd dat als gevolg van de uitspraak van de rechtbank de betrokken partijen het eenmalige bedrag is teruggegeven, hetgeen indirect weer zou leiden tot, krachtens gemeenschapsrecht, verboden staatssteun aan die partijen. Voorts zou uit de uitspraak van de rechtbank volgen dat de eenmalige bijdrage ook zelf in strijd zou zijn met het gemeenschapsrecht. Deze grieven kunnen niet leiden tot gegrondverklaring van het beroep van eiseres. De rechtbank verwijst hierbij kortheidshalve naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 13 januari 2004, C-453/00, LJN AO1933. Aan de in dit arrest vermelde criteria is in het onderhavige geval niet voldaan, onder meer omdat eiseres niet zelf de rechtsmiddelen heeft benut die tot haar beschikking stonden. Met hetgeen namens eiseres overigens in beroep is aangevoerd, heeft verweerder bij zijn besluitvorming geen rekening kunnen houden, zodat daaraan evenmin een grond voor vernietiging van het bestreden besluit valt te ontlenen. Het verzoek tot aanhouding van behandeling van onderhavige zaak wegens een mogelijk beroep van andere partijen op de gemeenschapsrechter, althans een mogelijke klacht van die partijen bij de Europese Commissie, dan wel het mogelijk aanhangig zijn of aanhangig worden van civiele procedures van andere partijen, komt, gelet op het vorenoverwogene, niet voor honorering in aanmerking. Het beroep is derhalve ongegrond. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding. 3 Beslissing De rechtbank, recht doende: verklaart het beroep ongegrond. Aldus gedaan door mr. J.H. de Wildt, rechter, en door deze en M.B. van Zantvoort, griffier, ondertekend. De griffier: De rechter: Uitgesproken in het openbaar op 4 januari 2008 Afschrift verzonden op: Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiseres wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.