
Jurisprudentie
BC3485
Datum uitspraak2008-02-12
Datum gepubliceerd2008-02-12
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers00328/07 P
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-02-12
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers00328/07 P
Statusgepubliceerd
Indicatie
Profijtontneming. Kennelijk heeft het Hof in zijn overweging tot uitdrukking willen brengen wat het p-v en het Excel-overzicht dat als bijlage bij dat p-v is gevoegd, verkort en zakelijk weergegeven, inhouden. De klacht dat de bestreden uitspraak niet de inhoud van de bewijsmiddelen bevat waaraan het Hof de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft ontleend, mist dus feitelijke grondslag.
Conclusie anoniem
Griffienr. 00328/07 P
Mr Wortel
Zitting: 11 december 2007
Conclusie inzake:
[betrokkene]
1. Dit cassatieberoep betreft een arrest van het Gerechtshof te Arnhem waarbij verzoeker, als maatregel ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting is opgelegd aan de Staat € 38.000 te betalen.
2. Namens verzoeker heeft mr J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, een schriftuur houdende cassatieklachten ingediend.
Bij arrest van eerdere datum heeft het Hof verzoeker in de onderliggende strafzaak tot straf veroordeeld. Ook tegen dat arrest is cassatie ingesteld. Inzake dat cassatieberoep, bij de Hoge Raad bekend onder griffienummer 00321/07, concludeer ik heden eveneens.
In samenhangende zaken met griffienummers 00327/07 en 00323/07 P (mededader) concludeer ik heden eveneens.
3. Het eerste middel bevat de klacht dat de schatting van het voordeel niet naar de wettelijke eis met redenen is omkleed, aangezien in een bewijsoverweging is verwezen naar een 'Excel-overzicht' en een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar, terwijl noch dat 'Excel-overzicht' noch dat proces-verbaal als bewijsmiddel is opgenomen.
4. Strikt genomen is de klacht wel terecht opgeworpen, lijkt me, maar vernietiging op deze grond kan achterwege blijven omdat verzoeker daar geen redelijk belang bij heeft. Een nieuwe behandeling na ver- of terugwijzing zou immers tot precies dezelfde uitkomst kunnen leiden, maar ditmaal met een nauwkeuriger aanduiding van de tot bewijs gebruikte inhoud van de stukken waarnaar het Hof verwijst.
5. De bewuste bewijsoverweging kan aldus verbeterd worden gelezen dat het Hof voor het bewijs gebruik heeft gemaakt van het in wettige vorm opgemaakte en op 16 juli 2002 afgesloten proces-verbaal van de opsporingsambtenaar [verbalisant 1], nummer PL 0646/01-203399, voor zover inhoudende dat de verbalisant aan de hand van een bij dit proces-verbaal gevoegd 'Excel-overzicht' heeft berekend dat de totale omzet van drugs over de onderzochte periode Hfl 422.881,20 heeft belopen, terwijl de verkoop van hash in de periode 2 september 2000 tot en met 6 juni 2001 Hfl 404.845 heeft opgeleverd.
6. Door deze verbeterde lezing komt de grondslag aan de klacht te ontvallen, zodat zij faalt.
7. Het tweede middel behelst de klacht dat bij de schatting van het voordeel in aanmerking is genomen dat het ook uit "andere feiten" is voortgevloeid, maar de bewijsmiddelen niet uitwijzen waaruit die "andere feiten" hebben bestaan.
8. Terecht wordt in de toelichting op het middel opgemerkt dat het Hof met deze "andere feiten" moet hebben gedoeld op de feiten die zijn begaan in een langere periode (2 september 2000 tot en met 6 juni 2001) dan waarop de bewezenverklaring betrekking heeft (1 januari 2001 tot en met 7 juni 2001), maar daar volgt gelijk uit dat het middel faalt. Het Hof kan immers op niets anders het oog hebben gehad dan de verkoop van hash in de door verzoeker en zijn mededader gedreven horeca-gelegenheden. Dat levert dus het bij herhaling opzettelijk handelen in strijd met het in art. 3, eerste lid onder B (OUD) Ow gestelde verbod op, en uit de bewijsmiddelen kan wel worden afgeleid dat het om deze "andere feiten" gaat.
9. Het derde middel behelst de klacht dat de redelijke termijn, als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM bij de behandeling van dit cassatieberoep wordt overschreden doordat de stukken van het geding te laat aan de Hoge Raad zijn toegezonden.
10. In aanmerking genomen dat het cassatieberoep is ingesteld op 19 augustus 2005, terwijl de stukken van het geding op 5 februari 2007, derhalve achttien en een halve maand later, bij de Hoge Raad zijn binnengekomen, is de klacht terecht voorgesteld.
Dit hoeft evenwel niet tot vernietiging en vermindering van de opgelegde betalingsverplichting te voeren.
In het nu ook dienende cassatieberoep tegen het in de strafzaak gewezen arrest wordt eveneens, en terecht, geklaagd over overschrijding van de redelijke berechtingsduur in verband met (veel) te late inzending van de gedingstukken. Aannemende dat naar aanleiding daarvan de in de onderliggende strafzaak opgelegde straf wordt gematigd, kan in dit beroep tegen de ontnemingsuitspraak worden volstaan met de enkele vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden.
11. De eerste twee middelen lenen zich voor afdoening met de in art. 81 RO bedoelde korte motivering.
12. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad zal vaststellen dat de in art. 6, eerste lid, EVRM gewaarborgde redelijke termijn bij de behandeling van dit cassatieberoep is overschreden, en het beroep voor het overige zal verwerpen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Uitspraak
12 februari 2008
Strafkamer
nr. 00328/07 P
IC/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 5 augustus 2005, nummer 21/005304-04, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een beslissing van de Rechtbank te Zutphen van 2 december 2003 - de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 38.000,-.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het middel klaagt dat de bestreden uitspraak niet de inhoud van de bewijsmiddelen bevat waaraan het Hof de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft ontleend.
3.2.1. Het Hof heeft onder "de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel" - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - het volgende overwogen:
"De veroordeelde is bij arrest van dit hof van 8 juli 2005 (parketnummer 21-005882-03) terzake van medeplegen van in de uitoefening van een bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd en deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven veroordeeld tot straf.
Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat veroordeelde uit het bewezenverklaarde handelen en uit andere strafbare feiten financieel voordeel heeft genoten.
(...)
Voorts neemt het Hof als grondslag voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel de voordeelsrapportage, opgemaakt door [verbalisant 1], brigadier van politie, district Achterhoek, gesloten en getekend op 10 september 2001, onder meer inhoudende een berekening van de omzet in de periode van 2 september 2000 tot en met 6 juni 2001.
(...)
Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent het Hof de schatting van dat voordeel op een bedrag van € 38.937,- (achtendertigduizend negenhonderdzevenendertig euro)."
3.2.2. De aanvulling op het verkorte arrest houdt - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - het volgende in:
"Door het hof gebezigde bewijsmiddelen
Het hof heeft in het arrest per abuis de verkeerde datum opgenomen waarop het politieproces-verbaal, opgemaakt door [verbalisant 1], brigadier van politie District Achterhoek, genummerd PL 0646/01-203399 is gesloten en getekend. Het hof heeft in het arrest opgenomen 10 september 2001, hetgeen had moeten zijn 16 juli 2002.
1. Het hof stelt vast, dat het Excel-overzicht van de geboekte drugsomzet resulteert in een totale omzet à 422.881,20. Het hof heeft voor de berekening van het wederrechtelijk voordeel als uitgangspunt genomen het in het door [verbalisant 1], brigadier van politie District Achterhoek, opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL 0646/01-203399, gesloten en getekend op 16 juli 2002, genoemde bedrag van ver-kopen in de periode van 2 september 2000 tot en met 6 juni 2001 zijnde het bedrag groot fl. 404.845,-
2. Het als bijlage bij het in de wettelijke vorm door [verbalisant 1], brigadier van politie District Achterhoek, opgemaakt hoofdproces-verbaal, genummerd PL 0646/01-203399, gesloten en getekend op 16 juli 2002, gevoegde in de wettelijke vorm door [verbalisant 2], agent van politie district Achterhoek, opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL 0646/01-201959, gesloten en getekend op 15 juni 2001, dossierparagraaf 1.10.8, voor zover inhoudende als verklaring van [persoon 1], zakelijk weergegeven:
[Persoon 2] maakte de afspraken dat er voor 1,3 gram weed DM 20,-, 2.0 gram weed DM 30,- en voor 3,3 gram weed DM 50,- betaald moest worden. De inkoop van weed was altijd rond de fl. 6,- per gram.
3. Het in de wettelijke vorm door [verbalisant 1], brigadier van politie District Achterhoek, opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL 0646/01-203399, gesloten en getekend op 16 juli 2002, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant, zakelijk weergegeven:
Ex-werknemer [persoon 3] deelde mee grotendeels voor niets te hebben gewerkt. Hij had drie maal circa fl. 560,- ontvangen.
4. Het als bijlage bij voormeld hoofdproces-verbaal opgenomen, in de wettelijke vorm door [verbalisant 1], brigadier van politie District Achterhoek, opgemaakt proces-verbaal, genummerd Pl 0646/01-201959, gesloten en getekend op 12 juli 2001, dossierparagraaf 1.100.1, voor zover inhoudende als verklaring van [persoon 4], zakelijk weergegeven:
Ik kom al jaren in het pand aan [a-straat]. Dit pand is van [persoon 2] en [persoon 5]. Ik ken [persoon 2] en [persoon 5] vrij goed. Ik weet dat [persoon 1] de drugsverkopen voor hen deed. [Persoon 1] vertelde mij dat de opbrengsten door drieën werd gedeeld .... door [persoon 1], [persoon 2] en [persoon 5]."
3.3. Kennelijk heeft het Hof in zijn hiervoor onder 3.2.2 sub 1 weergegeven overweging tot uitdrukking willen brengen wat genoemd proces-verbaal en het Excel-overzicht dat als bijlage bij dat proces-verbaal is gevoegd, verkort en zakelijk weergegeven, inhouden. De klacht dat de bestreden uitspraak niet de inhoud van de bewijsmiddelen bevat waaraan het Hof de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft ontleend, mist dus feitelijke grondslag.
3.4. Het middel kan derhalve niet tot cassatie leiden.
4. Beoordeling van het tweede middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Beoordeling van het derde middel
5.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.
5.2. De betrokkene heeft op 19 augustus 2005 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn op 5 februari 2007 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Het middel is dus in zoverre terecht voorgesteld.
5.3. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Ook in de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak, welke in cassatie aanhangig is onder nr. 00321/07 is de redelijke termijn in de cassatiefase overschreden. De compensatie, tot welke de overschrijding van de redelijke termijn moet leiden, zal worden toegepast in de hoofdzaak.
5.4. Gelet hierop is er geen aanleiding om in de onder-havige zaak aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.
6. Slotsom
Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
7. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 12 februari 2008.

