Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC3685

Datum uitspraak2008-01-30
Datum gepubliceerd2008-02-06
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200706390/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Oordeel over beroepsgrond niet gemotiveerd
Door haar oordeel dat niet is gebleken dat het besluit van 11 juli 2006 is herroepen wegens een aan de minister te wijten onrechtmatigheid, enkel te baseren op de overweging dat de jurisprudentie met betrekking tot de vraag of het in het nationale recht gemaakte onderscheid in inkomenseis tussen gezinshereniging en gezinsvorming in overeenstemming is met de richtlijn nog niet is uitgekristalliseerd, heeft de rechtbank niet onderkend dat het aan haar was deze vraag te beantwoorden. Dat oordeel is aldus niet van een deugdelijke motivering voorzien.


Uitspraak

200706390/1. Datum uitspraak: 30 januari 2008 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellante], mede voor haar minderjarige kinderen, appellante, tegen de uitspraak in zaak nr. 07/233 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Middelburg, van 8 augustus 2007 in het geding tussen: [appellante] en de minister van Buitenlandse Zaken. 1. Procesverloop Bij besluit van 11 juli 2006 heeft de minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister) een aanvraag van [appellante] (hierna: de vreemdeling), om haar en haar minderjarige kinderen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen afgewezen. Bij besluit van 29 november 2006 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar gegrond verklaard. Bij besluit van 13 december 2006 heeft de minister het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand van de vreemdeling in bezwaar afgewezen. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 8 augustus 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Middelburg (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 5 september 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Vervolgens is het onderzoek gesloten. 2. Overwegingen 2.1. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover thans van belang, worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende, voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. 2.2. In het besluit van 11 juli 2006 heeft de minister de aanvraag van de vreemdeling beoordeeld aan de hand van de vereisten die gelden voor toelating in het kader van gezinsvorming en deze afgewezen omdat de echtgenoot van de vreemdeling bij wie verblijf wordt beoogd niet duurzaam over voldoende middelen van bestaan beschikt. Bij besluit van 29 november 2006 heeft de minister dit besluit herroepen, omdat alsnog aan de desbetreffende vereisten werd voldaan, aldus de motivering van de afwijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in bezwaar in het besluit van 13 december 2006. 2.3. De enige grief wordt aldus begrepen dat de vreemdeling klaagt dat de rechtbank haar oordeel dat niet is gebleken dat het besluit van 11 juli 2006 is herroepen wegens een aan de minister te wijten onrechtmatigheid, niet deugdelijk heeft gemotiveerd. 2.3.1. In beroep bij de rechtbank heeft de vreemdeling aangevoerd dat de minister ten onrechte de vereisten die gelden voor toelating in het kader van gezinsvorming op haar van toepassing heeft geacht. Daartoe heeft de vreemdeling aangevoerd dat Richtlijn 2003/86/EG van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (hierna: de richtlijn) op haar van toepassing is en deze richtlijn ten aanzien van de hoogte van de inkomsten geen onderscheid maakt tussen gezinshereniging en gezinsvorming. Gelet hierop had de minister de inkomensnorm van 120 procent, bedoeld in artikel 3.22, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000, niet op haar van toepassing mogen achten, doch de aanvraag moeten beoordelen aan de hand van de vereisten die gelden voor toelating in het kader van gezinshereniging. 2.3.2. Door haar oordeel dat niet is gebleken dat het besluit van 11 juli 2006 is herroepen wegens een aan de minister te wijten onrechtmatigheid, enkel te baseren op de overweging dat de jurisprudentie met betrekking tot de vraag of het in het nationale recht gemaakte onderscheid in inkomenseis tussen gezinshereniging en gezinsvorming in overeenstemming is met de richtlijn nog niet is uitgekristalliseerd, heeft de rechtbank niet onderkend dat het aan haar was deze vraag te beantwoorden. Dat oordeel is aldus niet van een deugdelijke motivering voorzien. De grief slaagt. 2.4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak met toepassing van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Raad van State naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen. 2.5. De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank dient omtrent de vergoeding van deze kosten te beslissen. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Middelburg, van 8 augustus 2007 in zaak nr. 07/233; III. wijst de zaak naar de rechtbank terug; IV. stelt de door de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten; V. gelast dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Buitenlandse Zaken) aan de vreemdeling het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 214,00 (zegge: tweehonderdveertien euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. D. Roemers, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H. van der Winden, ambtenaar van Staat. w.g. Parkins-de Vin voorzitter w.g. Van der Winden ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2008 348-434. Verzonden: 30 januari 2008 Voor eensluidend afschrift, de secretaris van de Raad van State, voor deze, mr. H.H.C. Visser, directeur Bestuursrechtspraak