Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC3727

Datum uitspraak2008-01-23
Datum gepubliceerd2008-02-07
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/3828 WWB
Statusgepubliceerd


Indicatie

Griffierecht toch tijdig betaald. Verzet gegrond.


Uitspraak

07/3828 WWB Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van: [Appellant], tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 22 mei 2007, 06/5238 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage Datum uitspraak: 23 januari 2008 I. PROCESVERLOOP Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet van 6 november 2007 heeft de Raad het namens appellant door mr. J.D. Boetje, advocaat te ’s-Gravenhage, ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard. Tegen de uitspraak van de Raad van 6 november 2007 heeft mr. Boetje verzet gedaan. De Raad heeft bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. II. OVERWEGINGEN De uitspraak van de Raad van 6 november 2007 berust hierop, dat bij het instellen van het hoger beroep het ingevolge artikel 22, tweede lid aanhef en onder a, van de Beroepswet verschuldigde griffierecht van € 106,-- niet binnen de bij de aangetekend verzonden brief van 14 september 2007 gestelde termijn van vier weken is betaald en dat op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. In geding is de vraag of het hoger beroep van appellant terecht niet-ontvankelijk is verklaard. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend .Uit de bij het verzetschrift gevoegde kwitantie is gebleken dat de gemachtigde van appellant tijdig aan de kas van de griffie van de Raad het verschuldigde griffierecht van € 106,-- heeft betaald. Gelet op het voorgaande dient het verzet gegrond te worden verklaard. Dit betekent dat de uitspraak van de Raad van 6 november 2007 vervalt en dat het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond. De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellant in de verzetprocedure. Deze kosten worden begroot op € 161,-- voor verleende rechtsbijstand. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Verklaart het verzet gegrond; Veroordeeld het College in de proceskosten van appellant in verzet tot een bedrag € 161,--, te betalen door de gemeente ’s-Gravenhage. Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2008. (get.) G.A.J. van den Hurk. (get.) M. Pijper. AR