
Jurisprudentie
BC3867
Datum uitspraak2008-01-24
Datum gepubliceerd2008-02-11
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/2102 WUV
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-02-11
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/2102 WUV
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bezwaar was terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.
Uitspraak
07/2102 WUV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Appellant],
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 24 januari 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 1 februari 2007, kenmerk JZ/P90/2007, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2007. Daar is appellant niet verschenen en heeft verweerster zich laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 15 juni 2006, door de Ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden te Jakarta aan appellant verzonden op 4 juli 2007, heeft verweerster afwijzend beslist op een door appellant in november 2005 gedane aanvraag om toekenning van een periodieke uitkering als vervolgde in de zin van de Wet.
Tegen dat besluit heeft appellant bezwaar gemaakt bij schrijven 5 oktober 2006, dat blijkens de gedingstukken op 10 oktober 2006 bij voormelde ambassade is ingekomen.
Bij het bestreden besluit heeft verweerster appellant in zijn bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de op grond van artikel 42, eerste lid, van de Wet in dit geval geldende termijn van dertien weken. In dat verband is overwogen dat de door appellant met betrekking tot de overschrijding aangevoerde omstandigheden de termijn-overschrijding niet kunnen verontschuldigen, zodat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest in de zin van artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Ter beantwoording staat de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen partijen in beroep hebben aangevoerd, in rechte kan standhouden. De Raad overweegt als volgt.
Gezien de hierboven weergegeven feiten staat vast - en wordt ook niet betwist - dat appellant de in dit geval geldende bezwaartermijn van dertien weken heeft overschreden.
Ter verklaring van de termijnoverschrijding heeft appellant zowel in bezwaar als in beroep aangegeven dat hij vanwege een ernstig zieke dochter en het daarop overlijden van deze dochter niet in de gelegenheid is geweest het bezwaarschrift in te dienen.
Naar het oordeel van de Raad heeft verweerster in hetgeen appellant heeft aangevoerd terecht geen grond gezien om de niet-ontvankelijkverklaring met toepassing van het bepaalde in artikel 6:11 van de Awb achterwege te laten. Hiertoe overweegt de Raad dat, hoe ingrijpend de door appellant genoemde persoonlijke omstandigheden ook zijn, niet is gebleken dat appellant gedurende de gehele periode waarin bezwaar kon worden aangetekend, buiten staat was om - zonodig met behulp van derden - zorg te dragen voor tijdige indiening van een bezwaarschrift.
Het voorgaande brengt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit in rechte kan standhouden en het beroep van appellant ongegrond dient te worden verklaard.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2008.
(get.) G.L.M.J. Stevens.
(get.) J.P. Schieveen.
HD

