
Jurisprudentie
BC3871
Datum uitspraak2008-01-24
Datum gepubliceerd2008-02-11
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/928 WUV
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-02-11
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/928 WUV
Statusgepubliceerd
Indicatie
Afwijzing aanvraag periodieke uitkering op de grond dat niet is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat betrokkene vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan.
Uitspraak
07/928 WUV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Appellante],
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 24 januari 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 9 november 2006, kenmerk JZ/M60/2006, ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2007. Daar is appellante niet verschenen en heeft verweerster zich laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
Blijkens de gedingstukken heeft appellante in februari 2006 bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van een periodieke uitkering op grond van de Wet als weduwe van [Betrokkene] (hierna betrokkene), geboren [in] 1926 en overleden [in] 1995. In dat verband heeft appellante gesteld dat betrokkene als KNIL-militair in het belang van het Koninkrijk der Nederlanden heeft gestreden als gevolg waarvan hij invalide is geraakt.
Verweerster heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 29 juni 2006, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond dat niet is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat betrokkene vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan.
Ter beantwoording staat de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen partijen in beroep hebben aangevoerd, in rechte kan standhouden. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.
Op grond van artikel 2 van de Wet wordt, voor zover hier van belang, onder vervolging verstaan: handelingen of maatregelen welke tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 door de vijandelijke bezettende macht van het voormalige Nederlands-Indiƫ werden gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun ras, geloof, wereldbeschouwing, hun Europese afkomst of Europees gezindheid en welke hebben geleid tot vrijheidsberoving door opsluiting in concentratiekampen, gevangenissen of andere verblijfplaatsen waar beƫindiging van het leven dan wel permanente bewaking van de vervolgde werd beoogd.
Op grond van de gedingstukken heeft de Raad, evenals verweerster, geen aanknopingspunten kunnen vinden voor het oordeel dat betrokkene tijdens de Japanse bezetting vervolging heeft ondergaan als bedoeld in artikel 2 van de Wet. Hierbij neemt de Raad mede in aanmerking dat uit het onder de gedingstukken bevindende Voorlopig Stamboek naar voren komt dat betrokkene eerst op 5 mei 1947 tot het KNIL is toegetreden. Mede op grond van dit stamboek kan wel worden aangenomen dat betrokkene in 1949 gewond is geraakt, maar dit kan niet onder de werkingsfeer van de Wet worden gebracht aangezien de Wet alleen betrekking heeft op de (oorlogs)periode tot 15 augustus 1945.
Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat verweerster terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat, nu niet blijkt betrokkene bij leven vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan, appellante niet in aanmerking kan komen voor een periodieke uitkering als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Wet.
Voor zover appellante heeft beoogd om op grond van de Wet in aanmerking te komen voor een compensatie vanwege de door betrokkene verleende diensten aan het Koninkrijk, merkt de Raad op dat de Wet daarin niet voorziet.
Gezien het voorgaande dient het beroep van appellante ongegrond te worden verklaard.
De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2008.
(get.) G.L.M.J. Stevens.
(get.) J.P. Schieveen.
HD

