Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC4292

Datum uitspraak2008-02-06
Datum gepubliceerd2008-02-13
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Rotterdam
Zaaknummers226340 / HA ZA 04-2929
Statusgepubliceerd


Indicatie

- verzoek tot het houden van een rogatoire commissie naar Suriname toegestaan op grond van artikel 8 van het Verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering 1954; - belangenafweging: in casu werd geoordeeld dat gelet op alle omstandigheden van het geval het uitgangspunt dat getuigen zoveel mogelijk gehoord worden door de rechter die over het geschil dient te beslissen ondergeschikt was aan het belang van eiseres in het incident om de door haar aangewezen getuige in rogatoire commissie te doen horen.


Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM Sector civiel recht Zaak-/rolnummer: 226340 / HA ZA 04-2929 Uitspraak: 6 februari 2008 VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van: 1. [eiser sub1], wonende te Zoetermeer, en (na tussenkomst) 2. mr. Pieter Willem Alexander VAN DER STOEP in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [eiser[eiser], wonende te ’s Gravenhage, kantoorhoudende te Rotterdam, eisers in de hoofdzaak, verweerders in het incident, procureur mr. M.N.R. Nasrullah, advocaat mr. D. Matadien te Rotterdam, - tegen - de naamloze vennootschap FORTIS ASR N.V., voorheen genaamd: MAATSCHAPPIJ VAN ASSURANTIE DISCONTERING EN BELEENING DER STAD ROTTERDAM ANNO 1720 N.V., gevestigd te Rotterdam, gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident, procureur mr. J.W. Bitter, advocaat mrs. P.C. Knijp en L.K. de Haan te Rotterdam. Partijen worden hierna aangeduid als "[eiser]" (eisers in de hoofdzaak/verweerders in het incident gezamenlijk) respectievelijk "Stad Rotterdam". 1. Het verloop van het geding 1.1 De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken: - tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 24 mei 2006 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken; - incidentele conclusie tot het verlenen van een rogatoire commissie van getuigenverhoor buiten Nederland; - incidentele conclusie van antwoord. 1.2 Bij voormeld vonnis is Stad Rotterdam opgedragen het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat [eiser] merkelijke schuld heeft aan de ten processe bedoelde brand op 13 december 2001. Voorts is de zaak naar de rol verwezen om Stad Rotterdam in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de wijze waarop zij voormeld bewijs wenst te leveren. Stad Rotterdam heeft aanvankelijk om dagbepaling voor getuigenverhoren gevraagd, waarna partijen bij akte hun verhinderdata hebben opgegeven en de rechter een enquête heeft bepaald. Vervolgens heeft Stad Rotterdam bij incidentele conclusie verzocht om de door haar voor te brengen getuige, [getuige ], in rogatoire commissie in Suriname te doen horen. Het bepaalde getuigenverhoor heeft daarop geen doorgang gevonden. 1.3 [eiser] heeft zich met betrekking tot voormeld verzoek tot het doen horen in rogatoire commissie van de heer [getuige] gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 1.4 Partijen hebben vervolgens vonnis in het incident gevraagd. 2. De beoordeling in het incident 2.1 Het verzoek om de heer [getuige] bij wege van een rogatoire commissie in Suriname te doen horen dient te worden beoordeeld aan de hand van het Verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering 1954, dat voor Nederland en Suriname respectievelijk op 24 juni 1959 en 7 september 1977 in werking is getreden, met inachtneming van de Wet van 24 december 1958, houdende uitvoering van het op 1 maart 1954 te ’s-Gravenhage ondertekende verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering (hierna: de Uitvoeringswet). 2.2 Stad Rotterdam heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat zij gelet op de kosten die verband houden met het doen horen van de heer [getuige] de voorkeur geeft aan het doen horen van voormelde getuige middels een rogatoire commissie. [eiser] heeft tegen voormeld verzoek geen bezwaar gemaakt en zich terzake gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 2.3 Vooropgesteld dient te worden dat in beginsel de rechter die (uiteindelijk) over de zaak oordeelt zo veel als mogelijk zelf de getuigen dient te horen. Stad Rotterdam heeft vooralsnog alleen de heer [getuige] als getuige aangezegd. Gelet op de stellingname van Stad Rotterdam in de hoofdzaak en in het bijzonder hetgeen Stad Rotterdam ten aanzien van de heer [getuige] heeft aangevoerd, is - indien deze stellingen juist zijn - zeer aannemelijk dat de heer [getuige] niet bereid zal zijn om ten behoeve van het getuigenverhoor naar Nederland af te reizen. Stad Rotterdam, op wie de bewijslast rust, is weliswaar tot getuigenbewijs toegelaten, maar kan de door haar aangewezen getuige, indien deze om welke reden dan ook niet bereid of in staat zou zijn om vanuit Suriname naar Nederland af te reizen om in Nederland te getuigen, vanuit Nederland niet dwingen. Mede in aanmerking genomen dat [eiser] geen bezwaar tegen het horen in rogatoire commissie van voormelde getuige heeft gemaakt en dat afwijzing van het verzoek tot het gelasten van een rogatoire commissie zou betekenen dat de aanmerkelijke kans aanwezig is dat de heer [getuige] weigerachtig zal zijn om ten behoeve van het getuigenverhoor naar Nederland af te reizen en mitsdien Stad Rotterdam haar enige, in ieder geval naar haar eigen oordeel, belangrijkste, getuige niet kan doen horen dan wel dat de getuige een zeer grote reisafstand moet overbruggen, oordeelt de rechtbank het verzoek tot het doen horen in rogatoire commissie van de heer [getuige] op grond van artikel 8 van het Verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering 1954 toelaatbaar. Het uitgangspunt dat de getuigen zo mogelijk worden gehoord door de rechter die over het geschil moet beslissen, moet daaraan onder deze omstandigheden ondergeschikt worden geoordeeld. Het verzoek om een rogatoire commissie te entameren zal dan ook worden toegewezen, met dien verstande dat van Stad Rotterdam wordt verwacht dat zij zo spoedig mogelijk de haar bekende adresgegevens van de getuige doorgeeft aan de Surinaamse rechter. 2.4 De (advocaten van) partijen zullen de gelegenheid hebben om bij het verhoor aanwezig te zijn en vragen te stellen. De rechtbank zal de Surinaamse rechter verzoeken om, als Stad Rotterdam daarvan afziet, in elk geval de vragen als bedoeld in de incidentele conclusie aan de getuige te stellen. 2.5 Deze rogatoire commissie met daaraan gehecht afschrift van het op 24 mei 2006 gewezen tussenvonnis gaat niet vergezeld van een vertaling, nu de Nederlandse taal in Suriname officieel gevoerd wordt. 2.6 De kosten van het incident zullen worden aangehouden tot de einduitspraak in de hoofdzaak. 3. De beslissing De rechtbank, in het incident, gelast overeenkomstig het Verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering 1954 met inachtneming van de Wet van 24 december 1958, houdende uitvoering van het op 1 maart 1954 te ’s-Gravenhage ondertekende verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering (hierna: de Uitvoeringswet) de navolgende rogatoire commissie: De rogatoire commissie is afkomstig van de rechtbank te Rotterdam, Koninkrijk der Nederlanden, (postbus 50950, 3007 BL Rotterdam, tel.nr.: 00 31 10 297 1234, faxnr.: 00 31 10 2972517) rechter en contactpersoon: mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten. De rogatoire commissie is gericht aan de bevoegde autoriteit te Suriname: de Minister van Justitie p/a Ministerie van Justitie H.A.E. Arronstraat 1 Paramaribo, Suriname Tel.nr.: 00597 473033/473841, fax.nr.: 00597 410465 Eisers zijn: [eiser sub1], wonende te Zoetermeer, en (na tussenkomst) mr. Pieter Willem Alexander VAN DER STOEP in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [eiser[eiser] (tezamen aangeduid als [eiser]), wonende te ’s Gravenhage, kantoorhoudende te Rotterdam, advocaat in Nederland: mr. D. Matadien te Rotterdam (’s-Gravendijkwal 37, 3021 EC Rotterdam, tel.nr.: 00 31 10 432 88 87, fax.nr.: 00 31 10 432 76 08) Gedaagde is: de naamloze vennootschap FORTIS ASR N.V., voorheen genaamd MAATSCHAPPIJ VAN ASSURANTIE DISCONTERING EN BELEENING DER STAD ROTTERDAM ANNO 1720 N.V. (tevens aangeduid als Stad Rotterdam), gevestigd te Rotterdam, advocaten in Nederland: mrs. P.C. Knijp en L.K. de Haan te Rotterdam (Stadermann Luiten Advocaten, Schouwburgplein 30-34, Postbus 1488, 3000 BL Rotterdam, tel.nr.: 00 31 10 444 43 69, fax.nr.: 00 31 10 412 50 50). Voor de aard en het onderwerp van het geding verwijst de rechtbank naar het aangehechte tussenvonnis van deze rechtbank van 24 mei 2006. Het verzoek strekt ertoe om de navolgende getuige te horen: [getuige ] die te Suriname woont en wiens adres door de vertegenwoordiger van partij Stad Rotterdam nader zal moeten worden opgegeven. Deze getuige dient te worden gehoord over de in het tussenvonnis van 24 mei 2006 opgedragen bewijs van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat [eiser] merkelijke schuld heeft aan de ten processe bedoelde brand in de woning van [eiser] op 13 december 2001. Aan de getuige dienen in elk geval de volgende vragen te worden gesteld: - kent u mevrouw Janis Daniëlle [eiser], geboren te Paramaribo, Suriname, op 9 augustus 1973 ?; - is het juist dat u in mei/juni 2001 tijdelijk woonachtig bent geweest in de huurwoning van mevrouw [eiser] aan het Maurickerf 31 te (3077 XJ) Rotterdam, Nederland ?; - beschikte u toen over een sleutel van (de voordeur van) de woning ?; - heeft u van deze sleutel (een) kopie(ën) laten maken ?; - bent u ermee bekend dat in de nacht van 12 op 13 december 2001 in die woning brand heeft gewoed ?; - woonde u daar toen nog ?; - heeft u de sleutel of (een) kopie(ën) daarvan aan (een) derde(n) ter beschikking gesteld ? Zo ja, aan wie en wanneer ?; - bent u zelf betrokken geweest bij (het ontstaan van) die brand ? Hierbij wordt verzocht om de getuigenverklaring tevens naar Nederlands recht onder ede of belofte af te nemen. Naar Nederlands recht dient de getuige voorafgaand aan diens verhoor hetzij de eed (door, onder het opsteken van de wijs- en middelvinger van zijn rechterhand, de woorden uit te spreken: “zo waarlijk helpe mij God almachtig”) hetzij de belofte (door de woorden uit te spreken: “dat beloof ik”) af te leggen dat de getuige de gehele waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen. Verzocht wordt tevens in het proces-verbaal van de getuigenverklaring op te nemen dat, en op welke wijze, aan dit vereiste is voldaan. Naar Nederlands recht komt aan die getuigen een verschoningsrecht toe die tot geheimhouding verplicht zijn uit hoofde van hun ambt, beroep of betrekking omtrent hetgeen hun in die hoedanigheid is toevertrouwd, alsmede aan die getuigen die zijn aan te merken als (ex-)echtgenoot, (ex-)geregistreerd partner van een partij, bloed- of aanverwanten van een partij of van de echtgenoot of van de geregistreerd partner van een partij tot de tweede graad ingesloten, een en ander tenzij de partij in hoedanigheid optreedt, als bedoeld in artikel 165 lid 2 Rv, een en ander met inachtneming van het bepaalde in artikel 165 lid 3 Rv. De rechtbank verzoekt aan de bevoegde autoriteit tijdig tevoren de rechter en partijen of hun vertegenwoordigers in te lichten over het tijdstip waarop en de plaats waar het verlangde getuigenverhoor zal worden verricht, opdat partijen dan wel hun vertegenwoordigers daarbij aanwezig kunnen zijn. De rechtbank gelast de griffier de stukken ingevolge artikel 15 van de Wet van 24 december 1958, houdende uitvoering van het op 1 maart 1954 te ’s-Gravenhage ondertekende verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering te zenden aan Onze Minister van Buitenlandse Zaken (p/a MinBuZA, M-secretariaat, Postbus 20061, 2500EB Den Haag). In de hoofdzaak verwijst de zaak naar de (parkeer)rol van 1 april 2009 pro forma. Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten. Uitgesproken in het openbaar. 1182/106