Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC4404

Datum uitspraak2008-02-01
Datum gepubliceerd2008-02-15
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/1341 WAJONG
Statusgepubliceerd


Indicatie

Intrekking Wajong-uitkering na herbeoordeling. Geen onderschatting van de beperkingen. Geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies zijn in voldoende mate aangetoond.


Uitspraak

06/1341 WAJONG Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 26 januari 2006, 05/821 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 1 februari 2008 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. F.J.M. Kobossen, advocaat te Deventer, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 december 2007, waar namens appellant is verschenen mr. Kobossen, voornoemd. Van de zijde van het Uwv is niemand verschenen. II. OVERWEGINGEN Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten. Appellant, geboren [in] 1973, is productiemedewerker geweest. Op 11 mei 1992 is hij uitgevallen wegens psychische klachten, waarna hem na afloop van de wachttijd een uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet is toegekend. Nadien is deze uitkering omgezet in een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van een herbeoordeling is appellant op 28 juni 2004 onderzocht door de verzekeringsarts T.Th. Stout. In zijn rapport van dezelfde datum is hij tot de conclusie gekomen dat appellant als gevolg van psychische klachten beperkingen heeft en met inachtneming van deze beperkingen heeft hij een zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst voor appellant opgesteld. Vervolgens is de arbeidsdeskundige M.G. Preuter in zijn rapport van 21 september 2004 tot de conclusie gekomen dat appellant nog geschikt is voor een aantal functies. Op basis van drie van deze functies heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op minder dan 25%. In overeenstemming met dit rapport van de arbeidsdeskundige heeft het Uwv appellant bij besluit van 21 september 2004 meegedeeld dat zijn Wajong-uitkering met ingang van 22 november 2004 wordt ingetrokken. In bezwaar heeft appellant gesteld, onder verwijzing naar een overgelegde verklaring d.d. 6 oktober 2004 van zijn huisarts, dat hij meer beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen. Nadat de bezwaarverzekeringsarts G.P.J. de Kanter nog telefonisch overleg had gehad met de huisarts van appellant, heeft deze arts in zijn rapport van 7 april 2005 de bevindingen van de verzekeringsarts onderschreven. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 18 april 2005 het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. In beroep heeft appellant er op gewezen dat hij jarenlang arbeidsongeschikt is geweest. Naar zijn mening is dat standpunt nu zonder deugdelijke grondslag verlaten. De rechtbank heeft zich zowel met de medische als de arbeidskundige component van het bestreden besluit kunnen verenigen en heeft het beroep ongegrond verklaard. In hoger beroep heeft appellant nogmaals benadrukt dat zijn medische situatie in vergelijking met voorheen niet is verbeterd. De Raad overweegt als volgt. Naar het oordeel van de Raad hebben de verzekeringsartsen van het Uwv een zorgvuldig onderzoek ingesteld naar de psychische klachten van appellant en de daaruit voortvloeiende beperkingen. Bij de totstandkoming van hun rapporten hadden deze artsen de beschikking over informatie van de huisarts en ook anderszins is de Raad niet tot de conclusie kunnen komen dat het onderzoek dat deze artsen hebben ingesteld naar de belastbaarheid van appellant onzorgvuldig is geweest. De Raad is op grond van de gedingstukken evenmin tot de conclusie kunnen komen dat het Uwv de beperkingen van appellant heeft onderschat. Het standpunt van appellant dat hij in het geheel niet in staat is om te werken heeft hij naar het oordeel van de Raad niet aannemelijk gemaakt. Voorts is de Raad van oordeel dat het Uwv de geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functie in voldoende mate heeft aangetoond. Dit betekent dat het bestreden besluit op goede gronden berust en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en R.C. Stam en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2008. (get.) J.W. Schuttel. (get.) W.R. de Vries. MK