Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC4406

Datum uitspraak2007-11-23
Datum gepubliceerd2008-02-15
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 06/5300 MAWKLA
Statusgepubliceerd


Indicatie

Ontslag militair die transactievoorstel van het OM terzake van bezit van harddrugs heeft geaccepteerd. Beleid van Koninklijke Landmacht houdt in dat het enkele bezit (ook indien dit van zeer korte duur is) van harddrugs, ongeacht de hoeveelheid, leidt tot ontslag wegens wangedrag, terwijl het enkele bezit van niet meer dan een gebruikershoeveelheid softdrugs, niet ten overstaan van andere militairen, en voor het eerst vastgesteld, tot een waarschuwing leidt. Verweerder meent dat het bezit van harddrugs aannemelijk is omdat eiser het door het OM gedane transactieaanbod, welk aanbod betrekking had op het bezit van harddrugs, heeft geaccepteerd. Naar het oordeel van de rechtbank beschouwt verweerder de acceptatie van een transactievoorstel ten onrechte als een schuldbekentenis van het strafbare feit, waarop het transactievoorstel betrekking heeft. Het karakter van de transactie brengt met zich dat na acceptatie daarvan geen vaststelling van de schuld van de verdachte meer plaatsvindt, strafvervolging wordt immers hierdoor voorkomen. Verweerder heeft de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde feiten niet op voldoende zorgvuldige wijze vastgesteld. Voor de beantwoording van de vraag of deze feiten volgens het eigen beleid van verweerder het verlenen van ontslag wegens wangedrag rechtvaardigen dient buiten gerede twijfel te staan dat er sprake was van bezit van harddrugs door eiser. Beroep gegrond.


Uitspraak

Rechtbank ‘s-Gravenhage sector bestuursrecht derde afdeling, enkelvoudige kamer Reg. nr. AWB 06/5300 MAWKLA UITSPRAAK als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) Uitspraak in het geding tussen [eiser], eiser, en de Staatssecretaris van Defensie, verweerder. I Ontstaan en loop van het geding Bij besluit van 23 december 2005 heeft verweerder eiser ontslag verleend uit de militaire dienst per 15 januari 2006 op grond van het bepaalde in artikel 39, tweede lid aanhef en onder l en artikel 41 van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR). Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 26 januari 2006 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. Eiser is gehoord omtrent zijn bezwaar op 21 maart 2006. Bij besluit van 8 juni 2006 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 27 juni 2006 beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en tevens bij brief van 14 september 2006 een verweerschrift ingediend. De zaak is op 4 september 2007 ter zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V. Dolderman, advocaat te Harderwijk. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.D. Jansen. II Motivering 1. Feiten 1.1 Eiser is, als militair aangesteld bij het beroepspersoneel voor bepaalde tijd, in mei 2005 begonnen met de initiële opleiding aan de Koninklijke Militaire School (KMS). Op 14 oktober 2005 heeft eiser tijdens een uitgaansavond drugs aangeschaft. Nadat hij hierover met één van zijn medeleerlingen onenigheid heeft gekregen heeft hij zich van de drugs ontdaan, voordat hij er iets van gebruikt had. 1.2 Op 17 oktober 2005 is eiser door de commandant van de KMS gehoord over het gebeuren op 14 oktober 2005. Tijdens dit gehoor heeft eiser aangegeven dat hij in de zomervakantie softdrugs heeft gebruikt. Bij besluit van 24 oktober 2005 is eiser door de commandant KMS geschorst met toepassing van artikel 34, tweede lid, onder c van het AMAR. Bij besluit van 25 oktober 2005 heeft de commandant eiser een waarschuwing betreffende aanwezigheid/gebruik van drugs gegeven. 1.3 Bij brief van 24 november 2005 heeft de commandant Opleidings- en Trainingscommando de commandant KMS medegedeeld dat eiser op 3 november 2005 voor het op 14 oktober 2005 gepleegde strafbare feit een transactievoorstel van het Openbaar Ministerie (OM) van € 250,00 terzake van het overtreden van de Opiumwet (bezit en/of gebruik van harddrugs) heeft geaccepteerd. 1.4 Op 1 december 2005 is eiser gehoord door de Commissie van Onderzoek en Advies (de commissie) naar aanleiding van het voornemen van de commandant KMS eiser te ontslaan op grond van artikel 39, tweede lid aanhef en onder k dan wel l AMAR. Blijkens het van dit horen opgemaakte verslag is het transactievoorstel besproken. Op 16 december 2005 heeft de commissie geadviseerd eiser te ontslaan met toepassing van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l AMAR (wangedrag). De aan dit ontslag ten grondslag te leggen feiten formuleert de commissie als het gebruik van (soft)drugs en het in het bezit zijn van harddrugs. 1.5 Bij besluit van 23 december 2007 heeft de commandant KMS eiser ontslag verleend met ingang van 15 januari 2006 op grond van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l en artikel 41 AMAR. Hiertoe is in dit besluit overwogen: “In het kader van de dienst is het voor de organisatie van belang om over militairen te beschikken die in staat zijn hun taken uit te voeren. De negatieve effecten van het gebruik van drugs, in het bijzonder harddrugs, kunnen de operationele inzetbaarheid van eenheden, de veiligheid en de wijze van dienstvervulling van het personeel nadelig beïnvloeden mede in verband met de geruime tijd waarin deze stoffen in het lichaam werkzaam blijven. Ik teken hierbij aan dat het onaanvaardbaar is dat militairen samen met andere militairen drugs gebruiken. Er bestaat immers de kans dat er een groepsbinding ontstaat gebaseerd op negatieven gronden die nadelige effecten op het gedrag en het functioneren van deze militairen binnen het dienstverband kan hebben. Vanwege voornoemde effecten wordt het gebruik van (soft)drugs niet getolereerd binnen de Koninklijke Landmacht. Het gebruik van (soft)drugs kan immers een risico voor de taakuitoefening van de Koninklijke Landmacht inhouden. Tevens wordt, door het gebruik van (soft)drugs, het aanzien van het militaire ambt geschaad.” 1.6 Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit heeft verweerder dit bezwaar ongegrond verklaard. Met betrekking tot hetgeen eiser wordt verweten heeft verweerder het volgende overwogen: “Vaststaat dat belanghebbende op 14 oktober 2005 drugs heeft gekocht. Tevens staat vast dat belanghebbende een transactie is aangeboden en betaald heeft terzake van het overtreden van de Opiumwet (bezit en/of gebruik van harddrugs). … Nu belanghebbende de transactie ten aanzien van het bezit van harddrugs heeft betaald, is het voor het bestuursorgaan voldoende aannemelijk dat belanghebbende, ondanks zijn ontkenning dat het harddrugs betrof, ook harddrugs in zijn bezit heeft gehad. Aangezien belanghebbende heeft verklaard dat hij de intentie had de drugs te kopen en daarna te gebruiken, leidt dit drugsbezit onverkort tot de maatregel ontslag.” 2. Standpunten van partijen 2.1 Eiser stelt zich op het standpunt dat het besluit een juiste feitelijke grondslag ontbeert, nu eiser op 14 oktober 2005 geen harddrugs, maar softdrugs in zijn bezit had. Eiser stelt dat voldoen van een transactie tot doel heeft het voorkomen van vervolging en geen erkenning van schuld inhoudt. Voor zover verweerder ervan uit mocht gaan dat eiser wel harddrugs in zijn bezit had, stelt eiser dat hem hierover slechts een gering verwijt kan worden gemaakt: hij heeft de drugs slechts enige minuten in zijn bezit gehad en op eigen initiatief vernietigd. Het strafontslag is daarom onevenredig. 2.2 Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser door het voldoen van de transactie heeft aangegeven zich schuldig te hebben gemaakt aan het gestelde in het transactievoorstel. Verweerder wijst er in dit verband op dat geen transactie mag worden aangeboden wanneer verschil van inzicht bestaat tussen de opsporingsambtenaar en de verdachte over de feiten en/of de strafbaarheid. 3. Beoordeling 3.1 Ingevolge artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l, AMAR kan aan de militair ontslag worden verleend wegens wangedrag in de dienst, dan wel buiten de dienst voor zover dit gedrag schadelijk is of kan zijn voor de dienstvervulling of niet in overeenstemming is met het aanzien van zijn ambt. 3.2 Het beleid met betrekking tot het bezit en gebruik van soft- en harddrugs door militairen van de Koninklijke Landmacht is neergelegd in de brief van de Bevelhebber der Landstrijdkrachten van 7 april 1998. Volgens dit beleid wordt de militair voorgedragen voor ontslag, van wie kan worden aangetoond dat hij: - harddrugs of softdrugs, binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengt, bereidt, bewerkt, verwerkt, verkoopt, aflevert, verstrekt, vervoert, vervaardigt of een van deze handelingen heeft gepleegd; - harddrugs aanwezig heeft of aanwezig heeft gehad (ongeacht de hoeveelheid), gebruikt of heeft gebruikt; - meer dan een gebruikershoeveelheid softdrugs aanwezig heeft of aanwezig heeft gehad; - softdrugs samen met of ten overstaan van andere militairen gebruikt of heeft gebruikt; - softdrugs – tot maximaal een gebruikershoeveelheid – aanwezig heeft of heeft gehad of softdrugs gebruikt of heeft gebruikt, nadat hij/zij eerder schriftelijk is gewaarschuwd voor het plegen van deze handelingen. Voorts is in dit beleid bepaald dat een militair van wie voor de eerste maal wordt aangetoond dat hij/zij niet samen of niet ten overstaan van andere militairen, een gebruikershoeveelheid softdrugs aanwezig heeft of heeft gehad dan wel softdrugs gebruikt of heeft gebruikt, schriftelijk zal worden gewaarschuwd. Het enkele bezit (ook indien dit van zeer korte duur is) van harddrugs, ongeacht de hoeveelheid, leidt derhalve tot ontslag wegens wangedrag, terwijl het enkele bezit van niet meer dan een gebruikershoeveelheid softdrugs, niet ten overstaan van andere militairen, en voor het eerst vastgesteld, tot een waarschuwing leidt. 3.3 Het ter zake van drugs door verweerder gevoerde beleid is al eerder in gerechtelijke procedures aan de orde geweest en voldoet voor zover thans aan de orde aan de daaraan te stellen eisen van redelijkheid. De rechtbank overweegt dat een ontslag wegens wangedrag een zodanige zware maatregel is dat daartoe slechts kan worden overgegaan indien de feiten, die aan het ontslag ten grondslag zijn gelegd, niet voor gerede twijfel vatbaar zijn. Evenals bij de beoordeling van een strafontslag wegens plichtsverzuim dient de rechtbank te beoordelen of verweerder het ontslagbesluit heeft gegrond op deugdelijk vastgestelde gegevens. 3.4 Uit het besluit van 23 december 2005 blijkt niet of aan eiser wordt verweten dat hij voorafgaande aan het incident op 14 oktober 2005 softdrugs had gebruikt, zoals de commissie heeft gedaan. Uit het bestreden besluit volgt echter onmiskenbaar dat het aan eiser verweten wangedrag slechts is gebaseerd op de gebeurtenissen van 14 oktober 2005. De rechtbank overweegt hierbij ten overvloede dat op de melding door eiser zelf van ‘gebruik van softdrugs in de zomervakantie’ geen waarschuwing is gevolgd. 3.5 Verweerder meent dat het bezit van harddrugs op 14 oktober 2005 aannemelijk is, omdat eiser het door het OM gedane transactieaanbod, welk aanbod betrekking had op het bezit van harddrugs, heeft geaccepteerd. 3.6 Door de aanvaarding van een transactieaanbod komt een overeenkomst tot stand tussen het OM en de verdachte van een strafbaar feit, waarbij de verdachte aan de door het OM gestelde voorwaarde(n) moet voldoen en het recht tot strafvordering van het OM vervalt. Het karakter van de transactie brengt met zich dat na acceptatie daarvan geen vaststelling van de schuld van de verdachte meer plaatsvindt, strafvervolging wordt immers hierdoor voorkomen. Dit betekent dat verweerder, naar het oordeel van de rechtbank, ten onrechte de acceptatie van een transactievoorstel beschouwt als een schuldbekentenis van het strafbare feit, waarop het transactievoorstel betrekking heeft. Dat het de opsporingsambtenaar verboden is een transactieaanbod te doen bij verschil van inzicht over de feiten of de schuld, betekent niet dat, in gevallen waarin dit verschil van inzicht aan de opsporingsambtenaar niet bekend is, niet toch een transactieaanbod wordt gedaan en geaccepteerd. De rechtbank hecht in dit verband belang aan de, haars inziens aannemelijke, verklaringen van eiser dat hij niet weet op welke gegevens het transactievoorstel is gebaseerd en dat hij het aanbod, mede op advies van derden, heeft geaccepteerd om van de zaak af te zijn. Voorts heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat bij eiser bekend was of bekend had kunnen zijn dat het accepteren van een transactieaanbod door verweerder in het kader van eventuele jegens eiser te nemen disciplinaire maatregelen zou worden beschouwd als een schuldbekentenis. 3.7 Vorenstaande betekent dat verweerder de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde feiten niet op voldoende zorgvuldige wijze heeft vastgesteld. Voor de beantwoording van de vraag of deze feiten volgens het eigen beleid van verweerder het verlenen van ontslag wegens wangedrag rechtvaardigen dient buiten gerede twijfel te staan dat er op 14 oktober 2005 sprake was van bezit van harddrugs door eiser. Het bestreden besluit kan daarom wegens het ontbreken van een toereikende feitelijke grondslag niet in stand blijven en het beroep is gegrond. De rechtbank ziet in het vorenstaande aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaald op € 644,00, waarbij 1 punt is toegekend voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting en de waarde per punt € 322,00 bedraagt. III Beslissing De Rechtbank 's-Gravenhage, RECHT DOENDE: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene; veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 644,00, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (ministerie van defensie) als rechtspersoon die deze kosten aan eiser moet vergoeden; gelast dat voornoemde rechtspersoon het door eiser betaalde griffierecht ad € 141,00 aan eiser vergoedt. IV Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Aldus gegeven door mr. E. Kouwenhoven en in het openbaar uitgesproken op 23 november 2007, in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.P.J. Heesen.