Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC4441

Datum uitspraak2007-12-29
Datum gepubliceerd2008-02-15
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Groningen
ZaaknummersAWB 06/171 BELEI
Statusgepubliceerd


Indicatie

Verlening van een ontheffing voor het aanleggen, hebben en onderhouden van een losstoep onder voorschrift dat mocht er in de toekomst een verhoging van de primaire waterkering noodzakelijk zijn, de losstoep dan ter plaatse van de primaire zeedijk op kosten van Groningen Seaports of diens rechtsopvolger dient te worden verwijderd dan wel aangepast. Geen strijd met de artikelen uit de Keur.


Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE GRONINGEN SECTOR BESTUURSRECHT MEERVOUDIGE KAMER Zaaknr.: AWB 06/171 BELEI G inzake het geschil tussen Groningen Seaports, gevestigd te Delfzijl, eiseres, gemachtigde: mr. W.R. van der Velde, advocaat te Groningen, en het dagelijks bestuur van het waterschap Noorderzijlvest, verweerder, gemachtigde: mr.ing. H.Th. Wolven, ambtenaar van het waterschap. 1. Onderwerp van geschil Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 16 december 2005. In dit (bestreden) besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 12 mei 2005, waarbij aan eiseres op de voet van artikel 21, eerste lid, van de Keur ontheffing is verleend voor het aanleggen, hebben en onderhouden van een losstoep in de Wilhelminahaven, ongegrond verklaard. 2. Zitting Het geschil is behandeld op de zitting van 21 november 2007. Namens eiseres zijn de heer D. Smalbil en mr. W.R. van der Velde, advocaat, verschenen. Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door de heer J.P. Lalkens en mr. J.J. Feunekes. 3. Beoordeling van het geschil 3.1. Feiten en standpunten van de partijen Groningen Seaports heeft verweerder op 7 maart 2005 verzocht ontheffing te verlenen ten behoeve van het aanleggen, hebben en onderhouden van een openbare losstoep in de Wilhelminahaven. Bij besluit van 12 mei 2005 heeft verweerder aan eiseres ontheffing onder voorschriften verleend op grond van artikel 21, eerste lid, van de Keur voor het aanleggen, hebben en onderhouden van een openbare losstoep in de Wilhelminahaven. Als voorschrift 5 is daarbij door verweerder opgenomen dat mocht er in de toekomst een verhoging van de primaire waterkering noodzakelijk zijn, de losstoep dan ter plaatse van de primaire zeedijk op kosten van Groningen Seaports of diens rechtsopvolger dient te worden verwijderd dan wel aangepast. Tegen dit besluit is namens eiseres bij brief van 21 juni 2005 een bezwaarschrift ingediend bij verweerder. Het bezwaar van eiseres is behandeld tijdens de hoorzitting van de adviescommissie voor de behandeling van bezwaren van het waterschap Noorderzijlvest van 23 september 2005. In haar advies van 7 oktober 2005 heeft de commissie geadviseerd het bezwaar ongegrond te verklaren. Bij het bestreden besluit, meegedeeld bij brief van 16 december 2005, heeft verweerder overeenkomstig het advies besloten. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat tijdens de heroverweging in bezwaar niet de vastgestelde legger, maar de beschermingsbepalingen van artikel 27 van de Keur van kracht waren. Op basis van dat artikel, gelezen in samenhang met artikel 13 van de Keur, is enkel ontheffing vereist voor de kernzone en de beschermingszones, zodat die delen van de losstoep die buiten de beschermingszones vallen, niet ontheffingsplichtig zijn en daaraan derhalve geen voorwaarden kunnen worden gesteld. Voorts is eiseres van mening dat de opname van voorschrift 5 strijdig is met artikel 21, tweede lid, van de Keur. Voorschriften kunnen ingevolge dat artikel alleen worden opgenomen ter bescherming van de bij de waterstaatstaken betrokken belangen. Dat artikel 4 van het Reglement voor het Waterschap Noorderzijlvest stelt dat andere, met de waterstaatstaken verbonden, belangen mogen worden meegewogen, maakt dat volgens eiseres niet anders. Dergelijke belangen mogen worden meegewogen, maar daarover mogen geen voorschriften worden opgenomen. Bovendien zijn financiële belangen volgens eiseres niet verbonden met de waterstaatkundige belangen. Aangezien de financiële belangen van het waterschap in artikel 22 van de Keur zijn geregeld, is opname van het voorschrift eveneens strijdig met artikel 4, vierde lid, van het Reglement. Tot slot stelt eiseres dat de bestreden voorwaarde een onaanvaardbare doorkruising vormt van de nadeelcompensatieregeling van artikel 22 van de Keur. Verweerder is van mening dat de losstoep volledig binnen de door artikel 27 van de Keur aangegeven zones valt, zodat de ontheffing op de gehele losstoep van toepassing is. Volgens verweerder is het financiële belang van het waterschap om een toekomstige dijkverzwaring tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten te kunnen uitvoeren, een met de waterstaatszorg in het algemeen, en met de waterkeringszorg in het bijzonder, verbonden belang als bedoeld in artikel 4, derde lid, van het Reglement, in de behartiging waarvan niet is voorzien bij of krachtens formele wet. Verweerder mag derhalve een voorschrift opnemen voor de bescherming van zijn eigen financiële belangen. Dit standpunt vindt volgens verweerder steun in de gevestigde jurisprudentie, onder andere in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 31 juli 1996, AB 1996, 480. Overigens is verweerder van mening dat artikel 22 van de Keur niet de financiële belangen van verweerder regelt, maar van belanghebbenden, zodat er geen sprake is van de uitzonderingsregel in artikel 4, derde lid, van het Reglement. 3.2. Wettelijk kader Ingevolge artikel 1 van de Waterschapswet hebben waterschappen de waterstaatkundige verzorging van een bepaald gebied ten doel. Artikel 4, eerste lid, van het Reglement voor het waterschap Noorderzijlvest bepaalt dat de taak van het waterschap is de waterstaatkundige verzorging van zijn gebied, voor zover deze taak niet bij andere publiekrechtelijke lichamen berust. Op grond van artikel 4, tweede lid, omvat deze taak onder andere de zorg voor: a. primaire waterkeringen als bedoeld in de Wet op de waterkering in het taakgebied dat is aangegeven op de in artikel 2, tweede lid, genoemde kaart; Krachtens het derde lid van artikel 4 is de uitoefening van de taak en de taakonderdelen, bedoeld in het eerste en tweede lid, gericht op integraal waterbeheer. In dit kader behartigt het waterschap de waterstaatkundige belangen. Andere daarmee verbonden belangen kunnen door het waterschap worden meegewogen, tenzij daarin is voorzien bij of krachtens wet. Op grond van artikel 20, eerste lid, aanhef en onder f, ten tweede, van de Keur is het verboden binnen kernzones en beschermingszones werken te maken, te hebben, te vernieuwen, te wijzigen of op te ruimen. Artikel 21 van de Keur luidt als volgt: 1. Het dagelijks bestuur van het waterschap kan van de in deze keur gestelde gebods- en verbodsbepalingen ontheffing verlenen. 2. Ter bescherming van de bij de waterstaatkundige verzorging van het beheersgebied betrokken belangen kunnen aan een ontheffing voorschriften worden verbonden en kan een ontheffing voor bepaalde tijd worden verleend. 3. Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op het weigeren, wijzigen en intrekken van een ontheffing. Voorts is in artikel 22 van de Keur bepaald dat de belanghebbende, die als gevolg van de toepassing van bepalingen van deze keur schade lijdt of zal lijden die redelijkerwijs niet of niet geheel ten laste van belanghebbende behoort te blijven, door het dagelijks bestuur op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding wordt verstrekt, indien de vergoeding niet anderszins is verzekerd. 3.3. Beoordeling De rechtbank dient in dit geschil te beoordelen of verweerder in redelijkheid de gevraagde ontheffing onder het genoemde voorschrift heeft kunnen verlenen. Hierover wordt het volgende overwogen. De rechtbank stelt voorop dat art. 21, eerste lid, van de Keur aan verweerder een discretionaire bevoegdheid met beleidsvrijheid verleent. Artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht stelt echter grenzen aan de uitoefening van deze bevoegdheid. In haar uitspraak van 31 juli 1996, AB 1996, 480, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat de opvatting niet onredelijk en niet onjuist is, dat de financiële belangen van het waterschap, ook in die zin dat dit ten gevolge van het toelaten van de bouw en de aanwezigheid van bouwwerken geen financiële schade zal lijden, behoren tot de bij de waterstaatkundige verzorging van het beheersgebied betrokken belangen. Ook in het onderhavige geval beperkt voorschrift 5 van de ontheffing zich tot het zoveel mogelijk voorkomen van toekomstig financieel nadeel, zodat het voorschrift als zodanig valt onder de reikwijdte van artikel 21, tweede lid, van de Keur. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank voornoemd voorschrift in redelijkheid aan eiseres kunnen opleggen. Een veilige dijk is van groot openbaar belang en de belangen van eiseres zijn daaraan, zoals ook ter zitting door eiseres is onderkend, ondergeschikt. Bij een toekomstige verhoging van de primaire waterkering zal verweerder de verleende ontheffing ingevolge artikel 21, derde lid, van de Keur moeten wijzigen of intrekken. Ter zitting van de rechtbank is door de gemachtigde van verweerder toegezegd dat dit in overleg met eiseres en in redelijkheid, met verdiscontering van de belangen van eiseres, zal gebeuren. De rechtbank vindt in artikel 22 van de Keur geen dwingend voorgeschreven regeling op grond waarvan verweerder zijn financiële belangen niet mag veiligstellen. Artikel 22 van de Keur regelt de mogelijkheid tot een billijke vergoeding van schade aan belanghebbenden, die door toepassing van bepalingen van de Keur is ontstaan. De toepassing van dit artikel zal dus aan de orde komen bij een eventuele wijziging of intrekking van de ontheffing bij een toekomstige verhoging van de primaire waterkering. Ten aanzien van de stelling van eiseres dat zij ten tijde van het besluit op bezwaar niet voor de hele losstoep ontheffingsplichtig was, overweegt de rechtbank als volgt. Zoals ook ter zitting uit de getoonde kaarten is gebleken, is de losstoep integraal onderdeel van de dijk geworden, zodat de stelling van eiseres dat die delen van de losstoep die buiten de beschermingszones vallen, niet ontheffingsplichtig zijn, niet gedeeld kan worden. De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat verweerder vanuit het oogpunt van waterstaatkundige belangen in redelijkheid tot de ontheffing met daarin het in bezwaar gehandhaafde voorschrift heeft kunnen besluiten. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 4. Beslissing De rechtbank Groningen, sector Bestuursrecht, meervoudige kamer, RECHT DOENDE, -verklaart het beroep ongegrond. Aldus gegeven door mr. H.C.P. Venema, voorzitter, mr. L.W. Janssen en mr. L.J.A. Damen, leden en in het openbaar uitgesproken door de voorzitter op 29 december 2007, in tegenwoordigheid van mr.A.M. Veenstra als griffier. De griffier, De rechter De rechtbank wijst er op dat partijen en belanghebbenden binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA in Den Haag.