Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC4721

Datum uitspraak2008-02-19
Datum gepubliceerd2008-02-20
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureVoorlopige voorziening+bodemzaak
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers08/185 WWB-VV
Statusgepubliceerd


Indicatie

Besluit bevoegdelijk genomen? Opschorting, intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Afwijzing voorlopige voorziening.


Uitspraak

08/185 WWB-VV 08/188 WWB-VV 08/182 WWB 08/184 WWB Centrale Raad van Beroep Voorzieningenrechter U I T S P R A A K als bedoeld in de artikelen 8:84, tweede lid, en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening van: [Verzoeker], in verband met het hoger beroep van: verzoeker tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 6 december 2007, 07/2819, 07/2820, 07/2821 en 07/2822 (hierna: aangevallen uitspraak), in de gedingen tussen: verzoeker en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort (hierna: College) Datum uitspraak: 19 februari 2008 I. PROCESVERLOOP Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Verzoeker heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2008. Verzoeker is in persoon verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door J.H. de Vos, werkzaam bij de gemeente Amersfoort. II. OVERWEGINGEN Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Ingevolge artikel 8:86 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Verzoeker ontving bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij brief van 20 juni 2007 is verzoeker voor een hercontrole in het kader van de voortzetting van de bijstand uitgenodigd voor een gesprek op 27 juni 2007 bij de Hoofdafdeling Sociale Zekerheid. Dit gesprek zou plaatsvinden met S. van Dijk en S. Aarab. Bij besluit van 4 juli 2007 heeft het College het recht op bijstand van verzoeker met ingang van 27 juni 2007 opgeschort, omdat verzoeker op 27 juni 2007 niet is verschenen op de oproep van 27 juni 2007. Het College heeft voorts verzoeker opgeroepen om op 12 juli 2007 te verschijnen, wederom bij Van Dijk en Aarab. Bij besluit van 19 juli 2007 heeft het College de bijstand van verzoeker met ingang van 27 juni 2007 ingetrokken op de grond dat verzoeker geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid zijn verzuim te herstellen door op 12 juli 2007 niet te verschijnen. Voorts heeft het College de kosten van bijstand over de periode van 27 juni 2007 tot en met 30 juni 2007 tot een bedrag van € 109,70 teruggevorderd. Bij besluit van 28 september 2007 met kenmerk WSO/SZ/TV/VBB/2542098 is het bezwaar tegen het besluit van 4 juli 2007 ongegrond verklaard. Bij besluit van 28 september 2007 met kenmerk WSO/SZ/TV/VBB/2542169 is het bezwaar tegen het besluit van 19 juli 2007 eveneens ongegrond verklaard. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft de beroepen tegen de beide besluiten op bezwaar ongegrond verklaard en de verzoeken om voorlopige voorziening afgewezen. Verzoeker heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij de beroepen ongegrond zijn verklaard. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling. Vooraf Anders dan verzoeker ziet de voorzieningenrechter op grond van de gedingstukken geen grond om de bevoegdheid van De Vos om het College in deze gedingen in rechte te vertegenwoordigen in twijfel te trekken. Met betrekking tot de vraag of de bestreden besluiten op bezwaar bevoegdelijk zijn genomen overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Uit de gedingstukken blijkt dat het College op 22 juli 2003 heeft ingestemd met een voorstel met toepassing van artikel 168 van de Gemeentewet het lid van het College met de portefeuille Sociale Zaken mandaat te verlenen om te beslissen op bezwaarschriften binnen de hoofdafdeling Sociale Zekerheid van de sector WSO. Anders dan verzoeker is de voorzieningenrechter van oordeel dat het desbetreffende mandaatbesluit rechtsgeldig is en dat de wethouder Sociale Zaken, Cultuur en Sport krachtens mandaat bevoegd was te beslissen op de bezwaarschriften van verzoeker. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat de beide hiervoor genoemde besluiten op bezwaar bevoegdelijk namens het College zijn genomen. Het antwoord op de vraag of de primaire besluiten van 4 juli 2007 en 19 juli 2007 wel bevoegdelijk zijn genomen kan in het midden blijven, aangezien volgens vaste jurisprudentie van de Raad een aan het primaire besluit klevend bevoegdheidsgebrek geacht kan worden te zijn geheeld, indien de beslissing op bezwaar op correcte wijze door of namens het bevoegde orgaan is genomen (zie onder meer de uitspraken van 10 oktober 2002, LJN AE8966, en 31 december 2007, LJN BC1811). De voorzieningenrechter zal nu ingaan op hetgeen partijen nu materieel nog verdeeld houdt. Opschorting Ingevolge artikel 17, eerste lid (tekst tot 1 januari 2008), van de WWB, voor zover van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Artikel 17, tweede lid, van de WWB bepaalt dat de belanghebbende verplicht is aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. Op grond van artikel 53a, eerste lid (tekst tot 1 januari 2008), van de WWB, is het aan het College om de wijze en het tijdstip te bepalen waarop de verstrekking van gegevens plaatsvindt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen geschreven of ongeschreven rechtsregel en geen algemeen rechtsbeginsel zich ertegen verzet, dat een heronderzoeksgesprek in het kader van de WWB niet door een maar door twee medewerkers van de Hoofdafdeling Sociale Zekerheid met de belanghebbende wordt gevoerd. Het is, gelet op het hiervoor weergegeven samenstel van bepalingen, aan het College de ambtenaren aan te wijzen die een dergelijk gesprek voeren. De bezwaren van verzoeker tegen Aarab als gespreksdeelnemer acht de voorzieningenrechter ongegrond. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat in het kader van de toepassing van artikel 18 van de WWB beoordeeld moest worden of verzoeker zijn verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling nakomt en dat Aarab, zoals ter zitting nader is verduidelijkt, nog steeds tot taak had verzoeker bij diens arbeidsinschakeling te ondersteunen. Van een ongerechtvaardigde inbreuk op het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer van verzoeker is geen sprake. De voorzieningenrechter onderschrijft voorts de in randnummer 2.5 van de aangevallen uitspraak weergegeven overwegingen, zodat moet worden geconcludeerd dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB is voldaan en dat het College in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot opschorting van het recht op bijstand van verzoeker met ingang van 27 juni 2007 gebruik heeft kunnen maken. Intrekking Bij de beantwoording van de vervolgens aan de orde komende vraag of het College op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB bevoegd was tot intrekking van de aan verzoeker verleende bijstand, staat ter beoordeling of verzoeker verzuimd heeft binnen de bij het opschortingsbesluit daartoe gestelde termijn zijn verzuim te herstellen. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of verzoeker hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Verzoeker is bij besluit van 4 juli 2007 in de gelegenheid gesteld om zijn verzuim te herstellen door op 12 juli 2007 te verschijnen. Verzoeker is opnieuw niet verschenen, wederom omdat Aarab bij dit gesprek aanwezig zou zijn. Verzoeker heeft hierbij dezelfde argumenten aangevoerd als tegen het besluit van 4 juli 2007. De voorzieningenrechter heeft hiervoor reeds vastgesteld dat de bezwaren van verzoeker tegen Aarab als gespreksdeelnemer ongegrond zijn. Dat verzoeker desondanks op 12 juli 2007 wederom niet is verschenen, is hem dan ook te verwijten. Gelet hierop heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank op juiste gronden aangenomen dat het College bevoegd was om tot intrekking van de bijstand van verzoeker op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB over te gaan. Het College heeft gehandeld in overeenstemming met zijn ter zake van intrekking geformuleerde, niet onredelijk te achten beleid. In hetgeen verzoeker heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, in afwijking van het beleid geheel of gedeeltelijk van intrekking had moeten afzien. Terugvordering Uit het voorgaande volgt dat ook aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan. Het College was derhalve bevoegd om tot terugvordering van de ten onrechte verleende bijstand van verzoeker over te gaan. Het College heeft gehandeld in overeenstemming met het ter zake van terugvordering gehanteerde, niet onredelijk te achten beleid. In hetgeen verzoeker heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met (overeenkomstige) toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, van het beleid had moeten afwijken. Slotoverwegingen Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor zover aangevochten voor bevestiging in aanmerking. Onder deze omstandigheden is geen grond aanwezig voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat het verzoek daartoe moet worden afgewezen. Voor de door verzoeker gevraagde veroordeling tot schadevergoeding bestaat geen ruimte. Voor vergoeding van het door verzoeker betaalde griffierecht en voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. III. BESLISSING De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep; Recht doende: in de hoofdzaak: Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten; Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af; op het verzoek om voorlopige voorziening: Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af. Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2008. (get.) G.A.J. van den Hurk. (get.) W. Altenaar. IJ