Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC4984

Datum uitspraak2007-11-27
Datum gepubliceerd2008-02-22
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
ZaaknummersWAHV 07/00912
Statusgepubliceerd


Indicatie

Hangende 1 verzetzaak heeft de officier van justitie een zevental ten onrechte opgelegde sancties - waaronder de sanctie waarvoor het dwangbevel is uitgevaardigd - ingetrokken. De betrokkene verzoekt om vergoeding van alle kosten die met betrekking tot de zeven opgelegde sancties zijn gemaakt. De kantonrechter kon echter slechts de kosten vergoeden die zijn gemaakt in verband met de onderhavige verzetprocedure. Het hof overweegt voorts dat de kostenvergoeding op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht niet is bedoeld als volledige schadevergoeding, maar als een tegemoetkoming in de kosten.


Uitspraak

WAHV 07/00912 27 november 2007 CJIB 94491130 Gerechtshof te Leeuwarden Beschikkingop het hoger beroep tegen de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 20 juni 2007 betreffende [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [woonplaats] 1. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het verzet van de betrokkene tegen de tenuitvoerlegging van een door de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden op 17 januari 2007 uitgevaardigd dwangbevel gegrond verklaard. Voorts heeft de kantonrechter bepaald dat het voldane griffierecht door de griffier zal worden terugbetaald en dat aan de betrokkene een kostenvergoeding van € 303,36 zal worden toegekend. De beschikking van de kantonrechter is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. 2. Het procesverloop De betrokkene heeft tegen de beschikking van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep. De advocaat-generaal heeft een reactie gegeven op de nadere toelichting op het beroep. De betrokkene heeft gereageerd bij brief van 20 augustus 2007. Nu dit schrijven na afloop van de schriftelijke fase is ingekomen, zal het hof daarop geen acht slaan. 3. Beoordeling 3.1. Aan de betrokkene zijn als kentekenhouder diverse administratieve sancties opgelegd, omdat voor zijn voertuig het keuringsbewijs zijn geldigheid zou hebben verloren, terwijl op dat moment het betreffende voertuig niet langer op zijn naam in het kentekenregister stond geregistreerd. De officier van justitie heeft daarom hangende de verzetprocedure bij de kantonrechter bij brief van 6 juni 2007 een zevental onterecht opgelegde sancties - waaronder de sanctie waarvoor het onderhavige dwangbevel is uitgevaardigd - ingetrokken. De kantonrechter heeft vervolgens het verzet tegen de tenuitvoerlegging van dat dwangbevel gegrond verklaard en reis- en verletkosten toegekend. 3.2. Het beroep van de betrokkene richt zich tegen de hoogte van de door de kantonrechter toegekende kostenvergoeding. De betrokkene weigert de verschillende zaken los van elkaar te zien, aangezien deze kennelijk allemaal aan één en dezelfde fout aan de zijde van de overheid zijn toe te schrijven. Hij heeft een omvangrijk dossier overgelegd waarin een gedetailleerd overzicht wordt gegeven van de door hem verrichte inspanningen en gevoerde procedures om de gevolgen van deze fout ongedaan te maken. Hij verzoekt daarom om vergoeding van alle kosten die daarbij zijn gemaakt. Het betreft kosten voor rechtsbijstand en voor telefoongesprekken, porti en correspondentie tot een totaal van € 42.375,-. 3.3. Het hof stelt voorop dat de onderhavige verzetprocedure slechts betrekking heeft op de rechtmatigheid van de tenuitvoerlegging van het krachtens artikel 26 WAHV uitgevaardigd dwangbevel inzake de sanctie met CJIB-nummer 94491130. De betrokkene heeft in zijn verzetschrift d.d. 24 januari 2007 tevens enige andere beschikkingsnummers genoemd. Uit de stukken blijkt echter niet dat in één of meer van deze zaken reeds een dwangbevel was uitgevaardigd, zodat deze zaken buiten het bereik van de verzetprocedure vallen. De kantonrechter kon daarom slechts de kosten vergoeden die zijn gemaakt in verband met deze verzetprocedure. 3.4. Ingevolge artikel 1 van het van toepassing zijnde Besluit proceskosten bestuursrecht (Besluit) kan een veroordeling in de kosten uitsluitend betrekking hebben op: a. kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, b. kosten van een getuige of deskundige die door een partij is meegebracht of opgeroepen, dan wel van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht, c. reis- en verblijfkosten van een partij, d. verletkosten van een partij, en e. kosten van uittreksels uit de openbare registers, telegrammen, internationale telexen, internationale telefaxen en internationale telefoongesprekken; f. kosten van het als gemachtigde optreden van een arts in zaken waarin enig wettelijk voorschrift verplicht tot tussenkomst van een gemachtigde die arts is. 3.5. De opgegeven kosten voor telefoongesprekken, porti en correspondentie komen, gelet op het limitatieve karakter van het Besluit, niet voor vergoeding in aanmerking. Voorts is niet gebleken dat de betrokkene in de onderhavige verzetprocedure door een derde beroepsmatig is bijgestaan. Hij heeft immers zelf de nodige correspondentie gevoerd en is ook zelf verschenen ter terechtzitting van de kantonrechter. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om af te wijken van de door de kantonrechter toegekende kostenvergoeding. 3.6. Uit de Nota van Toelichting blijkt bovendien dat de kostenvergoeding op grond van voormeld Besluit niet is bedoeld als volledige schadevergoeding, maar als een tegemoetkoming in de kosten. Voor zover de betrokkene een vergoeding wil voor alle daadwerkelijk door hem geleden schade, kan dat niet in het kader van deze procedure en dient hij de daartoe bestemde rechtsgang(en) te benutten. 3.7. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen. 4. De beslissing Het gerechtshof: bevestigt de beschikking van de kantonrechter. Deze beschikking is gegeven door mrs. Dijkstra, Weenink en Van Wagtendonk, in tegenwoordigheid van mr. De Ruijter als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.