bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC5964

Datum uitspraak2008-02-27
Datum gepubliceerd2008-03-06
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Amsterdam
Zaaknummers366952
Statusgepubliceerd


Indicatie

Erfpacht, rechtsverwerking, matiging boete, is de grosse van een notariële akte een executoriale titel in de zin van artikel 430 Rv? In wezen draait het om de vraag of het eiser (in conventie), die een perceel met bungalow in erfpacht heeft, is toegestaan huisdieren te houden in het aan gedaagde (in conventie) in eigendom toebehorende bungalowpark. Met het hanteren van een gedoogbeleid heeft gedaagde niet haar recht verwerkt om, indien niet aan de door haar gestelde voorwaarden wordt voldaan, nakoming van de Algemene Bepalingen van erfpacht te verlangen. Gedaagde is als nieuwe grondeigenaar niet gebonden aan de toezeggingen van haar rechtsvoorgangers (betreffen obligatoire verplichtingen die geen zakelijke werking hebben). Voor het beroep van eiser op rechtsverwerking zijn dan ook slechts de eigen gedragingen en uitingen van gedaagde van belang. De rechtbank matigt de door eiser verschuldigde boete tot EUR 5.000,-. De grosse van een notariële akte kan alleen een executoriale titel vormen - en in zoverre gelijk staan aan een veroordelend rechterlijk vonnis - indien in de notariële akte een schuldverhouding is vastgelegd.


Uitspraak

vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 366952 / HA ZA 07-991 Vonnis van 27 februari 2008 in de zaak van [A], wonende te [-], eiseres in conventie, verweerster in reconventie, procureur mr. S.A. van der Sluijs, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid GRONDSTUK B.V., gevestigd te Baarn, gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, procureur mr. P.N. van Regteren Altena. Partijen zullen hierna [A] en Grondstuk genoemd worden. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding, met producties; - de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie, met producties; - het tussenvonnis van 30 mei 2007, waarbij een comparitie van partijen is bepaald; - het proces-verbaal van comparitie van 9 oktober 2007; - de akte houdende een vermeerdering van eis van [A], met producties; en - de antwoordakte van Grondstuk. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De feiten 2.1. Grondstuk is sinds 1 januari 2004 eigenaar van het bungalow- en vakantiepark Chaletparc De Zeumersehof in Voorthuizen (gemeente Barneveld) (hierna: bungalowpark De Zeumersehof). Het bungalowpark Ponderosa maakt deel uit van dit park. De grond waarop bungalowpark Ponderosa is gelegen, is op 31 december 1977 uitgegeven in erfpacht. 2.2. Op de uitgifte in erfpacht zijn van toepassing verklaard de bij notariële akte van 24 juni 1977 vastgestelde algemene bepalingen (hierna: de Algemene Bepalingen). 2.3. In de Algemene Bepalingen is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald: “Artikel 8. [ ] 4. Het is niet toegestaan: [ ] b. behoudens schriftelijke ontheffing van de grondeigenaar in de bungalow of daarbuiten dieren te houden of aan deze onderdak te verschaffen;”[ ] Artikel 19. 1. Bij elke niet-nakoming van één der verplichtingen hem terzake van de erfpacht opgelegd, verbeurt de erfpachter ten behoeve van de grondeigenaar een boete gelijk aan het tienvoud van het bedrag van de canon, zoals deze geldt in het jaar waarin de niet-nakoming plaats heeft [ ]. Deze boete moet binnen één maand na een daartoe strekkende aanmaning worden voldaan aan de grondeigenaar.” 2.4. [A] heeft sinds 1985 in bungalowpark Ponderosa een perceel met bungalow in erfpacht aan het adres Kieftveen 32-34 (kadastraal bekend gemeente Garderen, sectie I nummer 1397). Zij woont daar al sinds jaar en dag met haar partner, [B], en thans twee honden. 2.5. Green Spirit B.V. (hierna: Green Spirit) voert sinds 2002, aanvankelijk in opdracht van de toenmalige grondeigenaar, Euroase Vakantieparken B.V. (hierna: Euroase), en thans in opdracht van Grondstuk, het beheer over het bungalowpark De Zeumersehof. 2.6. Op bungalowpark De Zeumersehof is een hondenuitlaatterrein nabij de bungalow van [A]. Bij de ingangen van het park zijn borden geplaatst met de tekst “honden aan de lijn”. 2.7. Bij brief van 31 oktober 2003 aan Euroase heeft [A] een aantal door haar met Euroase gemaakte afspraken vastgelegd. Deze brief is door de heer [C] (directeur van Green Spirit, hierna: [C]) namens Euroase voor akkoord ondertekend. 2.8. Bij brief van 16 november 2004 heeft Green Spirit aan [A] het volgende geschreven: “Formeel is het houden van huisdieren op Ponderosa niet toegestaan. Zolang dit geen overlast geeft, laten wij dit oogluikend toe. Wij verzoeken u uw hond zodanig te huisvesten dat zijn geblaf niet langer overlast bezorgd. Indien geen verbetering optreedt, zien wij ons genoodzaakt maatregelen te nemen.” 2.9. Op 22 maart 2005 heeft Green Spirit vervolgens het volgende aan [A] geschreven: “Recent hebben wij u verzocht maatregelen te nemen, zodat het blaffen van uw hond geen overlast bezorgd. Jongstleden zaterdag heb ik zelf kunnen vaststellen, dat de hond irritant en hinderlijk blaft gedurende een langere periode. U weet dat u formeel volgens de overeenkomst niet gerechtigd bent een hond te houden. Oogluikend staan wij dit in uw geval toe, maar u dient dan wel maatregelen te nemen. Afgelopen week liet uw partner, de heer [B], 2 honden uit, niet aangelijnd, waarbij hij zelf op de fiets zat. Wij hebben de heer [B] op de regels gewezen en hem verzocht de honden aan te lijnen. Wilt u erop toezien, dat indien een ander uw hond uitlaat, dit op ons terrein aangelijnd dient te gebeuren. Verder stellen wij vast dat het nu om 2 honden ging. Wij nemen aan dat dit een tijdelijke situatie was. Wij zullen niet akkoord gaan met het houden van 2 honden en zijn in dat geval gedwongen de regels overeenkomstig de overeenkomst af te dwingen. Vooralsnog gaan wij er vanuit, dat u de nodige maatregelen zult treffen.” 2.10. Bij brief van 20 oktober 2006 heeft Grondstuk aan de pachters van bungalowpark Ponderosa een enquêteformulier toegestuurd “om te peilen wat de opinie van de gebruikers van Ponderosa is t.a.v. avondverkeer, hondenbeleid, gebruik zwembad/tennisbaan.” In de brief staat verder, voor zover hier van belang: “Een aantal pachters houdt huisdieren. Volgens de pachtovereenkomst is dit niet toegestaan. Vooralsnog gedogen wij het houden van één hond of één kat mits buiten aangelijnd. Ook hierover vernemen wij graag de mening van alle gebruikers van Ponderosa.” 2.11. Bij brief van 26 oktober 2006 heeft [C] namens Grondstuk en Green Spirit het volgende aan [A] geschreven: “Ondanks schriftelijke waarschuwingen in 2004, 2005 en 2006 moeten wij helaas vaststellen, dat u zich niets aantrekt van de regels en richtlijnen aangaande uw honden. Zaterdag 21 oktober jl. heb ik, samen met onze beveiligingsman, wederom vastgesteld dat u 2 honden houdt. Op 20 oktober jl. heeft de heer [D], onze parkmanager, uw huisvriend, de heer [B], erop aangesproken, dat hij één van de honden wederom niet aangelijnd had op het park. Aangezien u of uw huisgenoten niet bereid zijn de regels t.a.v. een huisdier te volgen bij het uitlaten en u nog steeds 2 honden houdt, zien wij ons genoodzaakt de gedragsregel t.a.v. huisdieren in te trekken. Wij hebben thans onze raadsman verzocht u verder aan te spreken op het strijdig handelen t.a.v. de in de pachtovereenkomst neergelegde regels. Tevens hebben wij onze raadsman verzocht de boete clausule, zoals in de pachtovereenkomst vastgelegd, ten uitvoer te brengen. Wij begrijpen uw minachting voor de door ons gestelde regels niet en u dwingt ons op deze wijze uw huisdieren niet langer te gedogen.” 2.12. Op 23 februari 2007 heeft Grondstuk vervolgens de grosse van de akte houdende de Algemene Bepalingen door de deurwaarder aan [A] als executoriale titel laten betekenen (hierna: de grosse). In het exploot is aan [A] onder meer het volgende aangezegd: “dat rekwirant heeft moeten vaststellen, dat de gerekwireerde in 2006 in gebreke is gebleven en blijft met de nakoming van haar verplichting uit hoofde van voormeld aangegeven ten deze betekende notariële akte en met name artikel 8 lid 4 sub b. dat overeenkomstig artikel 19 lid 1 van voormeld aangegeven en ten deze betekende notariële akte de gerekwireerde aan rekwirant een boete verbeurt gelijk aan het tienvoud van de canon, zoals deze geldt in het jaar waarin de niet-nakoming plaats heeft.” In het exploot heeft de deurwaarder [A] bevel gedaan te betalen een bedrag groot € 11.962,90 aan boete, alsmede de kosten van de betekening. 2.13. Op 18 oktober 2007 heeft Grondstuk conservatoir beslag laten leggen op, kort gezegd, (het recht van erfpacht van) het perceel van [A] met bungalow. 3. Het geschil in conventie 3.1. [A] vordert, na vermeerdering van eis, kort weergegeven, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, I. te verklaren voor recht: a. dat het recht van Grondstuk om zich ten aanzien van [A] te beroepen op artikel 8 lid 4 van de Algemene Bepalingen is verjaard; b. dat Grondstuk haar recht om zich te beroepen deze bepaling heeft verwerkt; c. dat de grosse in strijd met het bepaalde in artikel 50 lid 3 van de Wet op het notarisambt is afgegeven, als gevolg waarvan deze grosse niet als titel in de zin van artikel 430 Rv. heeft te gelden; d. dat Grondstuk onrechtmatig heeft gehandeld door over te gaan tot executiemaatregelen en aansprakelijk is voor de daardoor geleden schade. II. Grondstuk te verbieden de grosse (verder) ten uitvoer te leggen en te veroordelen tot terugbetaling van al hetgeen [A] ter uitvoering van het exploot heeft voldaan, vermeerderd met wettelijke rente; III. Grondstuk te veroordelen tot nakoming van de onder 2.7 bedoelde overeenkomst, op straffe van een dwangsom; IV. het hiervoor onder 2.13 genoemde beslag op te heffen, met veroordeling van Grondstuk in de kosten van de procedure, waaronder de kosten van het betekenen van de grosse. 3.2. [A] stelt zich, kort weergegeven, op het standpunt dat Grondstuk niet (langer) het recht heeft naleving van het in artikel 8 lid 4 van de Algemene Bepalingen neergelegde verbod te vorderen, omdat dit recht is verjaard, althans dat Grondstuk haar recht om zich op de naleving van het verbod in de Algemene Bepalingen te beroepen heeft verwerkt, dan wel misbruik van recht maakt door nu nakoming te vorderen. Bovendien ontkent [A] dat haar honden overlast veroorzaken. Ter onderbouwing van haar standpunt dat Grondstuk haar recht om zich op naleving van het verbod in de Algemene Bepalingen te beroepen, heeft verwerkt, wijst [A] er onder meer op dat zij al jaren twee honden heeft, dat er op bungalowpark Ponderosa voorzieningen voor honden zijn getroffen en dat [A] toestemming van een rechtsvoorganger van Grondstuk heeft gekregen om twee honden te houden. 3.3. Grondstuk voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. in reconventie 3.4. Grondstuk vordert, kort weergegeven, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat: 1. artikel 8 lid 4 sub b van de Algemene Bepalingen tussen [A] en Grondstuk van toepassing is met dien verstande dat sinds enige tijd het houden van één huisdier is toegestaan; 2. [A] in strijd handelt met de gewijzigde inhoud van dit artikel door twee honden te houden en daardoor ingevolge artikel 19 lid 1 van de Algemene Bepalingen een boete verbeurt gelijk aan het tienvoud van het bedrag van de canon, zoals deze geldt in het jaar waarin de niet-nakoming plaats heeft, zijnde tien maal € 1.200,=; 3. [A] te veroordelen in de kosten van deze procedure. 3.5. Grondstuk stelt hiertoe, kort gezegd, het volgende. Op grond van artikel 8 lid 4 sub van de Algemene Bepalingen is het erfpachters zoals [A] niet toegestaan huisdieren te houden. Grondstuk hanteert op bungalowpark De Zeumersehof de regel dat recreanten één huisdier per huishouden mogen houden. Bij wijze van gedoogbeleid staat zij dit in afwijking van het in de Algemene Bepalingen neergelegde algehele verbod ook aan bewoners (erfpachters) van Ponderosa toe, op voorwaarde dat geen overlast wordt veroorzaakt. [A] handelt in strijd met dit beleid aangezien zij twee honden houdt in plaats van één en bovendien overlast wordt veroorzaakt. 4. De beoordeling in conventie en in reconventie 4.1. [A] heeft geen conclusie van antwoord in reconventie genomen en is wegens een miscommunicatie tussen haar procureur en haar raadsman niet op de comparitie van partijen verschenen. Grondstuk stelt zich op het standpunt dat nu er geen verweer is gevoerd tegen de eis in reconventie, deze eis voor toewijzing gereed ligt en dat tegen [A] verstek dient te worden verleend. 4.2. Dit standpunt is onjuist. De vordering van Grondstuk in reconventie vloeit voort uit het door Grondstuk in conventie gevoerde verweer. De stellingen van [A] in conventie houden daarmee (indirect) ook het verweer in tegen de reconventionele vordering van Grondstuk. Dit betekent dat [A] materieel verweer heeft gevoerd tegen de eis in reconventie en dat de stellingen van Grondstuk in reconventie niet als onweersproken kunnen worden gezien. Dat tegen [A] verstek zou moeten worden verleend, vindt geen steun in het recht. 4.3. Vervolgens stelt Grondstuk zich op het standpunt dat de rechtbank bij de beoordeling de inhoud van de akte vermeerdering van eis van [A] buiten beschouwing moet laten voor zover deze niet rechtstreeks betrekking heeft op de onderbouwing van de vermeerdering van eis. Het zou in strijd met de goede procesorde zijn als [A], die de gelegenheid voorbij heeft laten gaan om haar stellingen ter comparitie verder te onderbouwen, die gelegenheid nu alsnog krijgt via deze akte. 4.4. Het is naar het oordeel van de rechtbank niet in strijd met de goede procesorde om de inhoud van de akte van [A] volledig mee te nemen bij de beoordeling van het geschil tussen partijen. Zoals hiervoor is opgemerkt, is [A] wegens een miscommunicatie niet ter comparitie verschenen. De rechtbank acht het in dat kader zinvol dat [A] alsnog de gelegenheid heeft gekregen naast de vermeerdering van eis ook enkele aanvullende opmerkingen te maken. Aangezien Grondstuk bovendien de gelegenheid heeft gehad om op de inhoud van de akte van [A] te reageren en van deze gelegenheid ook gebruik heeft gemaakt in de door haar genomen antwoordakte, is het beginsel van hoor en wederhoor niet geschonden. 4.5. Voor de inhoudelijke beoordeling van de vorderingen over en weer dient voorts te worden vastgesteld of Grondstuk [A] het houden van meer dan één hond op bungalowpark Ponderosa kan verbieden. Aangezien tussen partijen niet in discussie is dat de Algemene Bepalingen op hun rechtsverhouding van toepassing zijn, neemt ook de rechtbank dit bij de beoordeling tot uitgangspunt. De rechtbank zal hierna allereerst ingaan op hetgeen [A] tegen de vorderingen van Grondstuk als verweren heeft aangevoerd. 4.6. Aan de stelling van [A] dat zij twee bungalows heeft en daarom twee honden zou mogen houden, gaat de rechtbank voorbij, nu [A] deze stelling, na de gemotiveerde betwisting van Grondstuk, niet nader heeft onderbouwd. Verjaring 4.7. Het beroep op verjaring gaat niet op. Indien komt vast te staan dat Grondstuk een vordering tot betaling van een boete op grond van de Algemene Bepalingen op [A] heeft, staat vast dat de overtreding waar deze boete betrekking op heeft, nog steeds voortduurt, zodat van verjaring van deze vordering geen sprake kan zijn. Rechtsverwerking 4.8. Grondstuk erkent, zoals ook uit de hiervoor onder 2.8 – 2.11 genoemde brieven blijkt, dat zij in navolging van haar rechtsvoorgangster het houden van huisdieren op Ponderosa tolereert. Huisdieren worden door haar toegestaan op voorwaarde dat geen overlast wordt veroorzaakt en, in ieder geval sinds begin 2005 (zie de onder 2.9 genoemde brief), mits er sprake is van slechts één hond. Met het hanteren van dit gedoogbeleid heeft Grondstuk evenwel niet haar recht verwerkt om, indien niet aan de door haar gestelde voorwaarden wordt voldaan, nakoming van artikel 8 lid 4 sub b van de Algemene Bepalingen te verlangen. Voor zover Grondstuk als nieuwe grondeigenaar actiever op de naleving van de regels met betrekking tot het houden van huisdieren is gaan toezien, stond zij daarin naar het oordeel van de rechtbank vrij. Grondstuk is immers niet gebonden aan de inhoud van het gedoogbeleid en/of toezeggingen van haar rechtsvoorganger(s) ter zake. Dit betreffen obligatoire verplichtingen die geen zakelijke werking hebben. Voor de beoordeling van het beroep van [A] op rechtsverwerking zijn dan ook slechts de eigen gedragingen en uitingen van Grondstuk van belang. Uit hetgeen [A] overigens ter onderbouwing van haar beroep op rechtsverwerking heeft gesteld, blijkt niet dat Grondstuk ooit heeft getolereerd dat [A] twee honden hield. Ook anderszins is niet gebleken van enig actief handelen van Grondstuk waaruit [A] heeft kunnen afleiden dat Grondstuk dit zou tolereren. Integendeel, Grondstuk heeft steeds aan [A] kenbaar gemaakt dat zij het houden van twee honden niet acceptabel vond. Uit de begeleidende brief bij de onder 2.10 bedoelde enquête blijkt ook juist, anders dan [A] stelt, dat het beleid van Grondstuk is dat slechts één huisdier per bungalow wordt toegestaan. Ditzelfde geldt voor de door [A] overgelegde notulen van een vergadering van vertegenwoordigers van bungalowpark De Zeumersehof en van Ponderosa. Nog afgezien van het feit dat Grondstuk betwist dat deze door haar zijn goedgekeurd, blijkt uit de notulen niet dat Grondstuk [A] of andere gebruikers van het bungalowpark Ponderosa heeft toegestaan twee honden te houden. Voor de beoordeling is gelet op het voorgaande niet relevant de stelling van [A] dat zij altijd twee honden heeft gehad. Haar bewijsaanbod op dit punt zal dan ook als niet ter zake dienend worden gepasseerd. Misbruik van recht 4.9. [A] stelt dat Grondstuk misbruik maakt van recht omdat Grondstuk haar bevoegdheden met geen ander doel gebruikt dan het toebrengen van schade aan [A], nu zij alleen tegen haar optreedt, terwijl er meer bewoners van Ponderosa zijn die huisdieren (en zelfs meerdere honden) houden. De rechtbank gaat aan deze stelling voorbij. Zoals hiervoor is overwogen, staat het Grondstuk vrij een gedoogbeleid te voeren, waarbij, indien niet aan de gestelde voorwaarden wordt voldaan, zij kan terugvallen het verbod in de Algemene Bepalingen. Grondstuk heeft er als eigenaar recht en belang bij dat de regels op het park worden nageleefd. Zonder bijkomende bijzondere feiten en omstandigheden valt niet in te zien waarom Grondstuk dit recht in dit geval niet zou mogen uitoefenen. De stelling van [A] dat er ook andere bewoners zijn met twee honden wordt door Grondstuk betwist en overigens door [A] niet concreet onderbouwd, zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat. Voor zover [A] aan haar vordering ten grondslag legt dat er sprake is van willekeur, gaat de rechtbank ook aan deze stelling voorbij, nu [A] onvoldoende heeft onderbouwd dat het om vergelijkbare gevallen gaat en zij de rechtbank geen inzicht heeft gegeven hoe Grondstuk zich ten opzichte van deze andere bewoners opstelt. Overlast 4.10. Voorzover Grondstuk aan haar vordering (in reconventie) mede ten grondslag legt dat door de honden van [A] overlast wordt veroorzaakt, gaat de rechtbank hieraan voorbij. Grondstuk heeft de door haar gestelde overlast, tegenover de gemotiveerde betwisting van [A], immers niet nader onderbouwd. 4.11. Uit al het voorgaande volgt dat Grondstuk [A] het houden van meer dan één hond op bungalowpark Ponderosa kan verbieden, zodat de vorderingen van [A] zoals weergegeven onder 3.1 sub I onder a en b zullen worden afgewezen en de vordering van Grondstuk zoals weergegeven onder 3.4 sub 1 zal worden toegewezen. Ook de vordering weergegeven onder 3.1 sub III zal worden afgewezen. Uit hetgeen hiervoor onder 4.8 is overwogen volgt immers dat [A] Grondstuk niet kan houden aan een overeenkomst tussen haar en een rechtsvoorganger van Grondstuk. Boete 4.12. Vervolgens staat ter beoordeling of Grondstuk van [A] ook de in artikel 19 lid 1 van de Algemene Bepalingen opgenomen boete kan vorderen. [A] vordert matiging van de boete. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Grondstuk heeft [A] er in 2005 en 2006 (zie hierboven onder 2.9 en 2.11) op gewezen dat zij het verbod in de Algemene Bepalingen onverkort zou gaan toepassen als [A] haar gedrag niet zou aanpassen aan het gedoogbeleid van Grondstuk. Nu [A], ondanks de waarschuwingen van Grondstuk, een tweede hond is blijven houden, is Grondstuk gerechtigd de boete te vorderen. Artikel 6:94 lid 1 BW geeft de rechter de bevoegdheid de boete te matigen indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval aan deze voorwaarde is voldaan en neemt hierbij in aanmerking dat het gaat om een boetebeding dat één bedrag bevat voor vele uiteenlopende tekortkomingen. Voorts wordt in aanmerking genomen dat rondom het verbod op het houden van huisdieren op bungalowpark Ponderosa een enigszins onduidelijke situatie heeft bestaan en dat niet is gesteld of gebleken dat Grondstuk door de overtreding vermogensschade lijdt. Anderzijds wordt meegewogen dat het boetebeding bedoeld is als prikkel om de verplichtingen in de Algemene Bepalingen na te leven en dat [A], ondanks dat zij op haar handelwijze is aangesproken, reeds geruime tijd in overtreding is. Al deze omstandigheden in aanmerking genomen, zal de boete worden gematigd tot een bedrag van € 5.000,=. 4.13. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vordering in reconventie onder 3.4 sub 2 van Grondstuk zal worden toegewezen, met dien verstande dat de boete zal worden gematigd als hiervoor onder 4.12 overwogen. Vervolgens staan nog de overige vorderingen van [A] in conventie ter beoordeling. De rechtbank zal deze hierna achtereenvolgens bespreken. Grosse geen executoriale titel in de zin van artikel 430 Rv. 4.14. De stelling van [A] dat de grosse geen executoriale titel oplevert is juist. De grosse van een notariële akte kan alleen een executoriale titel vormen – en in zoverre gelijk staan aan een veroordelend rechterlijk vonnis – indien in de notariële akte een schuldverhouding is vastgelegd. De onderhavige grosse houdt niet in dat [A] € 11.962,90 aan Grondstuk is verschuldigd, maar dat op niet-nakoming van (onder meer) het in artikel 8 lid 4 sub b van de Algemene Bepalingen opgenomen verbod, een boete staat. Of [A] die boete daadwerkelijk heeft verbeurd, is een vraag die partijen thans verdeeld houdt en waarover de akte geen uitsluitsel biedt. De grosse kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet gelden als executoriale titel in de zin van artikel 430 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en Grondstuk zal de grosse niet (verder) ten uitvoer mogen leggen. 4.15. Voor zover [A] vraagt Grondstuk te veroordelen aan haar terug te betalen al hetgeen [A] ter uitvoering van het onder 2.12 bedoelde exploot heeft voldaan, zal de vordering bij gebrek aan belang worden afgewezen. [A] heeft niet gesteld en ook anderszins is niet gebleken dat zij iets aan Grondstuk heeft betaald. 4.16. Het voorgaande betekent dat de vordering van [A] onder 3.1 sub II als hierna te noemen zal worden toegewezen. Nu [A] verder geen belang heeft bij de onder 3.1 sub I onder c gevorderde verklaring voor recht, zal deze vordering worden afgewezen. 4.17. Het voorgaande betekent echter niet dat Grondstuk onrechtmatig heeft gehandeld door over te gaan tot executiemaatregelen. De rechtbank verwijst in dit verband naar hetgeen hiervoor onder 4.12 is overwogen. De vordering onder 3.1 sub I onder d zal dan ook worden afgewezen. Opheffing beslag 4.18. [A] vordert opheffing van het beslag en voert daartoe onder meer aan dat niet (summierlijk) van de deugdelijkheid van de vordering van Grondstuk waarvoor zij beslag heeft gelegd, is gebleken. Uit hetgeen hiervoor is overwogen (in het bijzonder onder 4.12) blijkt dat het beslag niet onrechtmatig is gelegd en de vordering onder 3.1 sub IV zal dan ook worden afgewezen. Dat geen sprake zou zijn van vrees voor verduistering speelt in deze fase van het geding geen rol meer. Proceskosten 4.19. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat in conventie de rechtbank Grondstuk zal verbieden de grosse (verder) ten uitvoer te leggen (zie 4.16). Nu een deel van de vorderingen in conventie wordt toegewezen en een deel wordt afgewezen, ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten in conventie te compenseren in die zin dat ieder van partijen haar eigen kosten draagt. 4.20. De vordering in reconventie zal als hierna te melden worden toegewezen (zie 4.11 en 4.13). [A] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in reconventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Grondstuk worden begroot op € 565,= (2,5 punten x factor 0,5 x tarief € 452,=) aan salaris procureur. 5. De beslissing De rechtbank in conventie 5.1. verbiedt Grondstuk de op 17 november 2006 afgegeven grosse (verder) ten uitvoer te leggen, 5.2. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.3. compenseert de proceskosten aldus dat ieder haar eigen kosten draagt, 5.4. wijst het meer of anders gevorderde af, in reconventie 5.5. verklaart voor recht dat: 1. artikel 8 lid 4 sub b van de Algemene Bepalingen (“Het is niet toegestaan: in de bungalow of daarbuiten dieren te houden of aan deze onderdak te verschaffen”) tussen [A] en Grondstuk van toepassing is met dien verstande dat sinds enige tijd het houden van één huisdier is toegestaan; en 2. [A] in strijd handelt met de gewijzigde inhoud van artikel 8 lid 4 sub b van de Algemene Bepalingen (zoals hiervoor onder 1 vermeld) door twee honden te houden en daardoor ingevolge artikel 19 lid 1 van de Algemene Bepalingen een boete verbeurt ten behoeve van Grondstuk van € 5.000,=, 5.6. veroordeelt [A] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Grondstuk tot op heden begroot op € 565,= aan salaris procureur, 5.7. verklaart dit vonnis voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad, 5.8. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2008.?