Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC7034

Datum uitspraak2008-03-06
Datum gepubliceerd2008-03-20
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/2790 AW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Vanwege de werkzaamheden voor de OR volledig vrijgesteld. Geen bijzondere beloning omdat appellant geen noemenswaardige bijdrage heeft geleverd aan de prestatie waarvoor die beloning aan het team is toegekend.


Uitspraak

06/2790 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 12 april 2006, 05/3259 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Staatssecretaris van Financiën (hierna: staatssecretaris) Datum uitspraak: 6 maart 2008 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J. Choufoer-van der Wel, advocaat te ’s-Gravenhage. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. Danhuis, werkzaam bij het ministerie van Financiën. II. OVERWEGINGEN 1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Appellant is werkzaam als medewerker bij de Belastingdienst Oost-Brabant en is geplaatst bij het [naam team]. Daarnaast is appellant lid van de Ondernemingsraad en maakt hij deel uit van de Centrale Ondernemingsraad (hierna samengevat: OR). Vanwege de omvang van zijn OR-werkzaamheden is appellant volledig vrijgesteld van werkzaamheden voor het [naam team]. Deze vrijstelling is schriftelijk vastgelegd. Wel is appellant gemiddeld een dag per week aanwezig op zijn werkplek bij het [naam team], maar hij verricht dan hoofdzakelijk OR-taken. Tijdens die aanwezigheid neemt appellant zo nu en dan deel aan intervisie, collegiale raadpleging of meningsvorming. Voorts neemt hij deel aan ongeveer een kwart van de werkoverleggen van het [naam team]. 1.2. Aan het [naam team] is eind 2004 een groepsbeloning toegekend van € 500,- per - met name genoemde - medewerker, omdat het team een bijzondere prestatie had geleverd. De bijzondere prestatie bestond onder andere uit het feit dat het team meer vorderingen had gemaakt bij de integratie van winst/niet winst dan in het jaarplan van het team was gevraagd en zeer goede resultaten had geboekt op het gebied van doorlooptijden en Awb-conform werken. De groepsbeloning is in december 2004 aan de medewerkers uitbetaald. Nadat appellant uit zijn salarisspecificatie van december 2004 had bemerkt dat hem geen groepsbeloning was toegekend, heeft hij bezwaar gemaakt. Bij brief van 18 februari 2005 is nader aan appellant toegelicht waarom hij niet tot de medewerkers van het [naam team] behoorde aan wie de groepsbeloning was toegekend. De staats-secretaris heeft het bezwaar van appellant bij besluit van 13 september 2005 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard. 2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant geen noemenswaardige bijdrage heeft geleverd aan de werkzaamheden binnen het [naam team] waarvoor de groepsbeloning is toegekend. Derhalve is er geen aanleiding om te oordelen dat de staats-secretaris niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren om ook aan appellant de groeps-beloning te verstrekken. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat in het onderhavige geval geen sprake is van benadeling zoals bedoeld in artikel 21 van de Wet op de ondernemingsraden (hierna: WOR). 3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende. 3.1. Appellant heeft in hoger beroep gesteld dat hij geen uitnodiging heeft ontvangen voor de zitting van de rechtbank van 6 april 2006, als gevolg waarvan hij niet op die zitting aanwezig is geweest en hij in zijn processuele belangen is geschaad. De griffier van de rechtbank heeft schriftelijk meegedeeld niet te beschikken over een bewijs van aangetekende verzending van de uitnodiging voor de zitting aan appellant en het er daarom voor te houden dat aan appellant geen uitnodiging is gestuurd. 3.1.2. De Raad overweegt dat de rechtbank gelet hierop heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 5:56 in samenhang met artikel 8:37, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daardoor is appellant niet in de gelegenheid gesteld bij de behandeling van de zaak ter zitting van de rechtbank aanwezig te zijn en het woord te voeren, ten gevolge waarvan hij in zijn processuele belangen is geschaad. De aangevallen uitspraak is dus niet rechtsgeldig tot stand gekomen en moet worden vernietigd. Gelet op de gedingstukken en de opvatting van partijen dat de zaak niet teruggewezen behoeft te worden naar de rechtbank, ziet de Raad geen aanleiding om de zaak naar de rechtbank terug te wijzen. 3.2. Ingevolge artikel 22a, eerste lid, van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 kan aan een ambtenaar of een groep van ambtenaren een eenmalige of periodieke toeslag worden toegekend. 3.2.1. Met het oog op de uitoefening van de in dit artikel gegeven discretionaire bevoegdheid heeft de staatssecretaris zijn beleid ten aanzien van bijzonder belonen voor wat betreft de Belastingdienst Oost-Brabant vastgelegd in het besluit bijzonder belonen 2004. In dat besluit is bepaald dat een bijzondere beloning aan een groep medewerkers mogelijk is als niet duidelijk is wie binnen de groep welke bijdrage heeft geleverd. Duidelijk moet zijn dat de groep als zodanig over een langere periode bijzonder heeft gepresteerd. De groep kan bestaan uit een team of een ander verband van medewerkers met een specifieke taakstelling. De beloning dient voor elk lid van de groep gelijk te zijn. 3.2.2. Evenals de rechtbank heeft geoordeeld en onder overneming van de desbetreffende overwegingen van de rechtbank, komt de Raad tot de conclusie dat appellant geen noemenswaardige bijdrage heeft geleverd aan de werkzaamheden die hebben geleid tot de groepsbeloning voor het [naam team]. Als zodanig is appellant duidelijk te onderscheiden van de (overige) leden van dit team. Naar het oordeel van de Raad heeft de staatssecretaris dan ook in redelijkheid kunnen besluiten om appellant niet te rekenen tot de groep van medewerkers die heeft bijgedragen aan de prestatie die heeft geleid tot het toekennen van een bijzondere groepsbeloning en hem om die reden van deze beloning uit te sluiten. 3.3. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat de staatssecretaris heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 21 van de WOR. Volgens appellant is er een direct causaal verband tussen de mindere bijdrage die hij heeft kunnen leveren aan de groeps-prestatie van het [naam team] en zijn lidmaatschap van de OR, zodat hij uit hoofde van zijn OR-lidmaatschap is benadeeld. 3.3.1. In artikel 21 van de WOR is onder meer bepaald dat de ondernemer er zorg voor draagt dat leden van de ondernemingsraad niet uit hoofde van hun lidmaatschap van die raad worden benadeeld in hun positie in de onderneming. 3.3.2. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 31 maart 2000, LJN AA5319, JAR 2000, 101, overweegt de Raad dat artikel 21 van de WOR ten doel heeft waarborgen te geven voor een onafhankelijk optreden van - onder anderen - de leden van de OR, door hen in hun rechtspositie in de onderneming te beschermen. Blijkens het hiervoor overwogene vindt het onthouden van de bijzondere beloning aan appellant zijn grond in de omstandigheid dat appellant geen noemenswaardige bijdrage heeft geleverd aan de prestatie waarvoor die beloning aan het [naam team] is toegekend. Dat appellant niet aan de groepsprestatie heeft kunnen bijdragen omdat hij met het oog op zijn werkzaamheden voor de OR van alle werkzaamheden voor het [naam team] was vrijgesteld, betekent niet dat de beloning hem uit hoofde van zijn lidmaatschap van de OR is onthouden. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de bedoelde vrijstelling er juist toe dient om appellant in staat te stellen zijn OR-werkzaamheden naar behoren te verrichten. Voor zover hier al van benadeling zou kunnen worden gesproken, is dit niet een benadeling als in artikel 21 van de WOR bedoeld. 3.3.3. De vermelding in het besluit bijzonder belonen 2004 dat ook medewerkers die volledig vrijgesteld zijn voor vakbondswerk in aanmerking komen voor een bijzondere beloning, leidt niet tot een ander oordeel. Gelet op de context en de ter zitting door de staatssecretaris gegeven toelichting, acht de Raad aannemelijk dat deze passage de mogelijkheid opent om in een geval zoals dat van appellant een beloning toe te kennen vanwege de verrichte prestaties voor de OR en niet om een ambtenaar te belonen voor reguliere werkzaamheden waarin hij geen aandeel heeft gehad omdat daarvoor de OR-werkzaamheden in de plaats zijn getreden. 4. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en dat het bestreden besluit in stand kan blijven. 5. Met betrekking tot de veroordeling in de proceskosten overweegt de Raad als volgt. Fouten van de rechtbank die leiden tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de aan-gevallen uitspraak, komen ingevolge vaste rechtspraak voor rekening en risico van het betrokken bestuursorgaan (CRvB 6 juni 2007, LJN BA7752). In het verzoek van de staatssecretaris om geen kostenveroordeling uit te spreken omdat hij geen aandeel heeft in de fout van de rechtbank en het bedrag waarover wordt geprocedeerd waarschijnlijk lager is dan de proceskosten, ziet de Raad geen grond om thans anders te oordelen. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding de staatssecretaris op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- aan kosten van rechtsbijstand. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het beroep ongegrond; Veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-, te betalen door de Staat der Nederlanden; Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 211,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en R. Kooper en J.H. van Kreveld als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R.S. Bacon als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2008. (get.) H.A.A.G. Vermeulen. (get.) M.R.S. Bacon. HD