
Jurisprudentie
BC8714
Datum uitspraak2007-11-09
Datum gepubliceerd2008-04-04
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
ZaaknummersWAHV 07/01123
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-04-04
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
ZaaknummersWAHV 07/01123
Statusgepubliceerd
Indicatie
Geen undue delay. Art. 6 EVRM. CVOM heeft zich niet gehouden aan instructienorm van artikel 11 WAHV. Periode van inactiviteit van negen en een halve maand. Totale procedure heeft negentien maanden geduurd. Vertraging in de procedure bij de kantonrechter gecompenseerd.
Uitspraak
WAHV 07/01123
9 november 2007
CJIB 19092071813
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Leeuwarden
van 16 juli 2007
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats]
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden genomen beslissing ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.
3. Beoordeling
3.1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 75,- opgelegd ter zake van “voor het motorrijtuig van 3500 kg of minder heeft het keuringsbewijs zijn geldigheid verloren”, welk feit blijkens een registercontrole van de RDW te Veendam zou zijn geconstateerd op 4 januari 2006 met betrekking tot het voertuig met het kenteken [kenteken].
3.2. De betrokkene bestrijdt de gedraging niet, maar stelt zich op het standpunt dat de sanctie niet in verhouding staat tot de gepleegde gedraging. Hiertoe voert hij aan dat hij per abuis heeft verzuimd het voertuig in de voorraad van zijn autobedrijf te plaatsen.
3.3. De onderhavige gedraging is gebaseerd op artikel 72, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994). Deze bepaling luidt als volgt:
“Voor een motorrijtuig of een aanhangwagen, waarvoor een kenteken is opgegeven dan wel dient te zijn opgegeven, dient een keuringsbewijs te zijn afgegeven.”.
3.4. Met betrekking tot schorsing van de geldigheid van het kentekenbewijs is artikel 67, eerste lid, WVW 1994 van toepassing. Deze bepaling luidt als volgt:
“Indien met een voertuig geen gebruik van de weg wordt gemaakt, schorst de Dienst Wegverkeer op aanvraag van de eigenaar of houder van dat voertuig, tegen betaling, op de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van het daarvoor door deze dienst vastgestelde tarief, de geldigheid van het kentekenbewijs.”.
3.5. Artikel 73, eerste lid, aanhef en onder b, WVW 1994 bepaalt voor zover in deze zaak van belang:
“Artikel 72 geldt niet indien:
a. (…)
b. de geldigheid van het voor het betrokken voertuig afgegeven kentekenbewijs is geschorst overeenkomstig paragraaf 6 van hoofdstuk IV.”.
3.6. Uit deze bepalingen volgt dat tijdens de schorsing van de geldigheid van het kentekenbewijs voor het voertuig geen geldig keuringsbewijs hoeft te zijn afgegeven. Dit laat echter onverlet dat als de schorsing beëindigd wordt het voertuig voorzien moet zijn van een geldig keuringsbewijs. Nu uit het dossier blijkt dat de geldigheid van het kentekenbewijs op 4 januari 2006 niet was geschorst, terwijl de geldigheid van het keuringsbewijs reeds op 29 juli 2001 was verlopen, staat vast dat de gedraging is verricht. Derhalve dient het hof te beoordelen of er redenen zijn de opgelegde sanctie te matigen. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
3.7. Het samenstel van de eerdergenoemde bepalingen maakt het mogelijk om door middel van registervergelijking op een effectieve wijze de keuringsplicht te handhaven. De effectiviteit van de handhaving zou ernstig worden ondermijnd wanneer bij elke geconstateerde overtreding zou moeten worden vastgesteld of dit met opzet is gebeurd. Een en ander brengt mee dat het in strijd met artikel 72 WVW 1994 niet voldoen aan de keuringsplicht op zichzelf reeds het opleggen van een administratieve sanctie rechtvaardigt, ook in het geval er geen sprake is van opzet.
3.8. Het hof ziet aanleiding met betrekking tot de termijn van berechting het navolgende te overwegen.
3.9. De Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften kenmerkt zich door een in vergelijking met de strafrechtelijke afdoening vereenvoudigde procedure gericht op een doelmatiger handhaving van lichte verkeersovertredingen. In deze procedure wordt van de betrokkene die een beroep wil doen op rechtsbescherming een actief optreden verwacht, gebonden aan korte en in beginsel fatale termijnen. Daartegenover mag van de bestuurlijke en rechterlijke autoriteiten, die in de procedure in het algemeen niet of slechts aan termijnen van orde gebonden zijn worden verwacht, dat zij met de nodige voortvarendheid de zaak behandelen.
Of en wanneer sprake is van onredelijke vertraging in de berechting is, naast het gebrek aan voortvarendheid bij de afhandeling van de zaak in de verschillende stadia van de procedure, afhankelijk van onder meer de ingewikkeldheid van de zaak en de invloed van de betrokkene op het procesverloop. Het oordeel, dat er sprake is van onredelijke vertraging in de berechting wordt bepaald door de omstandigheden van het concrete geval. Veelal zal er dan sprake zijn van perioden van inactiviteit van de bevoegde autoriteiten zonder aanwijsbare en aanvaardbare oorzaak. Een dergelijke periode van inactiviteit kan echter worden gecompenseerd door een grotere mate van voortvarendheid in het vervolg van de procedure.
3.10. Uit de stukken van het geding blijkt onder meer het volgende.
De inleidende beschikking is op 6 april 2006 verzonden aan de betrokkene.
De betrokkene heeft hiertegen op 6 april 2006 beroep ingesteld. De officier van justitie heeft op 25 mei 2006 een beslissing op het beroep genomen en het beroep ongegrond verklaard. De betrokkene heeft bij brief van 9 juni 2006 beroep bij de kantonrechter ingesteld. Blijkens informatie in het dossier is op 29 juni 2006 door de betrokkene zekerheid gesteld. Omstreeks 12 april 2007 heeft de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM) de stukken van het geding doorgezonden aan de kantonrechter ter verdere behandeling. Bij brief van 11 mei 2007 is betrokkene opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter op 2 juli 2007. Op 16 juli 2007 heeft de kantonrechter een beslissing gegeven.
3.11. Artikel 11, eerste lid, WAHV bevat de volgende instructienorm:
“Het beroepschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken worden door de officier van justitie aan de rechtbank ter kennis gebracht binnen zes weken nadat de indiener zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de sanctie, dan wel nadat de termijn daarvoor is verstreken.”.
3.12. Het hof stelt vast dat tussen het tijdstip van de zekerheidstelling en het tijdstip van verzending van de stukken aan de kantonrechter een termijn van negen en een halve maand is verstreken. Die periode is gekenmerkt door langdurige en onverklaarbare inactiviteit van de zijde van de justitiële autoriteiten, in het bijzonder van de CVOM die zich niet heeft gehouden aan de in artikel 11 WAHV gestelde instructienorm. Voornoemde periode van inactiviteit leidt op zichzelf gezien in beginsel tot het oordeel dat sprake is van onredelijke vertraging gedurende de berechting in eerste aanleg. Of en in hoeverre daaraan consequenties moeten worden verbonden dient echter in het licht van de gehele procedure te worden beoordeeld.
3.13. De totale periode tussen het tijdstip van verzending van de inleidende beschikking en de beslissing op het hoger beroep bedraagt ongeveer negentien maanden. Een en ander brengt mee, dat de vertraging in de procedure in eerste aanleg zodanig is gecompenseerd, dat aan de overschrijding van de termijn in eerste aanleg geen gevolgen hoeven te worden verbonden.
3.14. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Weenink en Van Wagtendonk, in tegenwoordigheid van Kuiper als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

