Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC9166

Datum uitspraak2007-12-17
Datum gepubliceerd2008-04-10
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200707746/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Vreemdelingenbewaring / voortvarendheid / omvang van het geschil / ambtshalve toetsing
Uit het beroepschrift, noch uit het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting blijkt dat de vreemdeling in beroep de voortvarendheid van het handelen van de staatssecretaris aan de orde heeft gesteld. De beoordeling van die voortvarendheid behoort evenmin tot de door de rechtbank te verrichten ambtshalve toetsing, nu die beoordeling niet strekt tot toepassing van een voorschrift van openbare orde. De rechtbank is derhalve buiten de grenzen van het geschil getreden.


Uitspraak

200707746/1 Datum uitspraak: 17 december 2007 RAAD VAN STATE AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie, appellant, tegen de uitspraak in zaak nr. 07/40100 van de rechtbank 's Gravenhage van 5 november 2007 in het geding tussen: [de vreemdeling], en appellant. 1. Procesverloop Bij besluit van 23 oktober 2007 is [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 5 november 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage (hierna:de rechtbank) het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring bevolen en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft appellant (hierna: de staatssecretaris) bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 6 november 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 23 november 2007 heeft de Afdeling de staatssecretaris gevraagd om een nadere toelichting. De staatssecretaris heeft bij brief van 28 november 2007 een nadere uiteenzetting gegeven. De vreemdeling heeft hierop bij brief van 29 november 2007 gereageerd. Vervolgens is het onderzoek gesloten. 2. Overwegingen 2.1. De staatssecretaris klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet met de vereiste voortvarendheid aan de uitzetting van de vreemdeling heeft gewerkt. 2.1.1. Uit het beroepschrift, noch uit het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting blijkt dat de vreemdeling in beroep de voortvarendheid van het handelen van de staatssecretaris aan de orde heeft gesteld. De beoordeling van die voortvarendheid behoort evenmin tot de door de rechtbank te verrichten ambtshalve toetsing, nu die beoordeling niet strekt tot toepassing van een voorschrift van openbare orde. De rechtbank is derhalve buiten de grenzen van het geschil getreden. De grief slaagt reeds hierom. 2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. 2.3. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, komt de Afdeling niet toe aan de bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden. Over die gronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin doet zich de situatie voor dat het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop ze betrekking hebben, onverbrekelijk samenhangen met hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geding. 2.4. Het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 23 oktober 2007 van de staatssecretaris dient derhalve ongegrond te worden verklaard. Er is geen grond voor schadevergoeding. 2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 5 november 2007 in zaak nr. 07/40100; III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond; IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Snijders, ambtenaar van Staat. w.g. Lubberdink Voorzitter w.g. Snijders ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2007 279 Verzonden: 17 december 2007 Voor eensluidend afschrift, de Secretaris van de Raad van State, voor deze, mr. H.H.C. Visser, directeur Bestuursrechtspraak