bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BD0149

Datum uitspraak2008-04-18
Datum gepubliceerd2008-04-22
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Rotterdam
Zaaknummers06/1835
Statusgepubliceerd


Indicatie

Vliegscholen Zestienhoven. Het bezwaar van concurrereden vliegschool heeft geleid tot herroepeing van de in primo verleende registratie als opleidngsinstelling. Op grond van de geconstateerde en aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde feiten kan niet gezegd worden dat de minister van Verkeer en Waterstaat niet in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat de belangen van de luchtvaart en de leerlingen van de vliegschool zwaarder wegen dan het belang van eiser bij het behoud van een geldige registratie. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat door de geconstateerde gebreken de veiligheid van de luchtvaart in gevaar is gebracht, omdat er geen of onvoldoende theorieonderwijs plaatsvond op de vliegschool van eiser, terwijl het praktijkonderwijs niet conform de gestelde eisen was.


Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM Sector Bestuursrecht Meervoudige kamer Reg.nr.: WET 06/1835 FRC Uitspraak in het geding tussen [Eiser], h.o.d.n. Lion Air, wonende te [woonplaats], eiser (hierna ook: Lion Air), gemachtigde mr. E. den Hartog, advocaat te Capelle aan den IJssel, en de minister van Verkeer en Waterstaat (als rechtsopvolger van de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat), verweerder, met als derde partij: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Kroonduif Air B.V., gevestigd te Rotterdam, gemachtigde mr. Q.J. van Riet, advocaat te Venlo. 1 Ontstaan en loop van de procedure Bij besluit van 15 maart 2005 (hierna: besluit 1) heeft verweerder de aan eiser verleende registratie als opleidingsinstelling opnieuw afgegeven, met een geldigheidsduur tot 1 februari 2006. Kroonduif Air B.V. heeft bij brief van 17 mei 2005 bezwaar gemaakt tegen besluit 1 Bij besluit van 1 juli 2005 (hierna: besluit 2) heeft verweerder deze hernieuwde registratie van eiser ingetrokken. Eiser heeft bij brief van 25 juli 2005, aangevuld op 11 augustus 2005, bezwaar gemaakt tegen besluit 2. Op 16 november 2005 heeft een hoorzitting plaats gevonden. Bij besluit van 17 maart 2006 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van Kroonduif Air B.V. tegen besluit 1 gegrond verklaard en het bezwaar van eiser tegen besluit 2 ongegrond verklaard. Eiser heeft bij brief van 25 april 2006 beroep ingesteld tegen dit besluit. Bij brief van 23 mei 2006 heeft hij dit beroep aangevuld. Verweerder heeft bij brief van 22 juni 2006 een verweerschrift ingediend. Kroonduif Air B.V. heeft op 31 mei 2007 nadere stukken ingediend. Op 13 juni 2007 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Bij beslissing van 20 juni 2007 heeft de rechtbank het onderzoek in deze procedure heropend, waarbij zij heeft bepaald dat eiser en verweerder in de gelegenheid worden gesteld binnen een termijn van drie weken schriftelijk te reageren op de inhoud van de door Kroonduif Air B.V. ingediende nadere stukken. Verweerder heeft bij brief van 28 juni 2007 schriftelijk gereageerd op deze door Kroonduif Air B.V. ingediende stukken, terwijl eiser dit bij brief van 6 juli 2007 heeft gedaan. Op 10 maart 2008 heeft wederom een onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.M. Kops en S.M. Krone. Kroonduif Air B.V. heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. 2 Overwegingen 2.1 Feiten, welke als vaststaand worden aangenomen Bij besluit van 1 juli 2005 heeft verweerder de registratie van Lion Air als opleidingsinstelling voor de Private Pilot License (PPL)-opleiding ingetrokken, omdat bij een inspectie van de vliegschool van Lion Air op 29 juni 2005 een aantal gebreken was geconstateerd. 2.2 Wettelijk kader Ingevolge artikel 2.9, eerste lid, van de Wet luchtvaart (hierna: WLV) kan verweerder een opleidingsinstelling ter verkrijging van een bewijs van bevoegdheid of bevoegdverklaring erkennen, kwalificeren of registreren, indien die opleidingsinstelling voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen eisen. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat verweerder de erkenning, kwalificatie of registratie van een opleidingsinstelling geheel of deels kan intrekken, wanneer die opleidingsinstelling niet meer voldoet aan de in het eerste lid bedoelde eisen. 2.3 Standpunten partijen Verweerder heeft het bestreden besluit genomen nadat bij een inspectie van de vliegschool van eiser een aantal gebreken was geconstateerd. Zo ontbraken de curricula vitae van de vlieginstructeurs, bleek niet te zijn doorgegeven dat de lesruimte gewijzigd was, vond er geen theorieonderricht plaats en is er nooit een overeenkomst gesloten met een derde partij voor het verzorgen van het theoriegedeelte. Bovendien werden met betrekking tot de vorderingen van cursisten geen bijzonderheden bijgehouden en werden de lessen niet conform de voorgeschreven syllabus, maar in willekeurige volgorde aangeboden. Eiser voldoet dus niet aan de eisen als bedoeld in artikel 2.9, eerste lid, van de WLV stelt. Hierdoor is de veiligheid van de luchtvaart in gevaar en kan bovendien onvoldoende worden vastgesteld of leerlingen zich de vereiste kennis en vaardigheid eigen hebben gemaakt. Deze belangen wegen naar de mening van verweerder zwaarder dan het belang van eiser bij het behoud van een geldige registratie. Eiser voert aan dat hij weliswaar niet aan alle wettelijke regels heeft voldaan, maar dat bepaalde gebreken bij elke vliegschool wel eens voorkomen en dat de wet wellicht aanpassing behoeft. Ten aanzien van de curriculum vitae van de vlieginstructeurs stelt eiser dat deze nooit zijn opgestuurd, omdat hij verweerder niet meer vertrouwde en verweerder bovendien zelf kan zien of een instructeur bevoegd is. Andere vliegscholen hebben ook geen curricula vitae van hun vliegers in huis. Eiser stelt zich daarnaast op het standpunt dat hij de wijziging met betrekking tot de lesruimte niet heeft gemeld, omdat deze wijziging slechts gering was. Eiser stelt voorts dat er een mondelinge overeenkomst met een derde partij was voor het verzorgen van theorieonderwijs. Eiser voert bovendien aan dat Lion Air introductielessen geeft en geen volledige opleiding tot PPL en dat daarom de syllabus niet hoefde te worden gevolgd. Tenslotte heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat verweerder in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld, omdat het rapport van de inspectie van 29 juni 2005 pas op 11 juli 2005 aan hem is verzonden, terwijl het besluit tot intrekking reeds op 1 juli 2005 is genomen. Eiser heeft dus niet kunnen reageren op het rapport. Kroonduif Air B.V. heeft zich op het standpunt gesteld dat de vergunning van eiser terecht is ingetrokken. 2.4 Beoordeling Tussen partijen is niet in geding dat de vliegschool van eiser op het moment van de controle door de inspectie niet aan alle bij of krachtens artikel 2.9, tweede lid, van de WLV gestelde eisen voldeed. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de eisen die bij of krachtens artikel 2.9 van de WLV zijn gesteld, geformuleerd zijn in het belang van de vliegveiligheid en in het belang van leerlingen die er op mogen vertrouwen dat zij bij een gecertificeerde opleidingsinstelling onderricht krijgen dat aan de hoogste kwaliteitseisen voldoet. Dat eiser het nut en de noodzaak van sommige van deze eisen niet inziet, doet er niet aan af dat hij gehouden was aan deze wettelijke eisen te voldoen teneinde zijn registratie als opleidingsinstelling te behouden. Het was niet aan eiser om te beoordelen of hij bepaalde informatie, zoals de curriculum vitae van de vliegers en de wijziging ten aanzien van de lesruimte, wel of niet aan verweerder zou melden. Verweerder was dan ook bevoegd de registratie van Lion Air als opleidingsinstelling in te trekken, nadat bij een inspectie geconstateerd was dat deze vliegschool niet aan alle wettelijke eisen voldeed. Op grond van de geconstateerde en aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde feiten kan niet gezegd worden dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat de belangen van de luchtvaart en de leerlingen van de vliegschool zwaarder wegen dan het belang van eiser bij het behoud van een geldige registratie. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat door de geconstateerde gebreken de veiligheid van de luchtvaart in gevaar is gebracht, omdat er geen of onvoldoende theorieonderwijs plaatsvond op de vliegschool van eiser, terwijl het praktijkonderwijs niet conform de gestelde eisen was. Hetgeen eiser heeft gesteld met betrekking tot andere vliegscholen waarbij (dezelfde) gebreken zouden voorkomen kan aan dit alles niet af doen, reeds omdat hij deze stelling op geen enkele wijze nader heeft onderbouwd. Eiser heeft nog gesteld dat het rapport van de inspectie niet tijdig aan hem is toegezonden, waardoor hem de mogelijkheid is ontnomen alsnog de geconstateerde gebreken te herstellen. In dit verband merkt de rechtbank het volgende op. Voor zover eiser hiermee heeft willen betogen dat hij in strijd met artikel 4:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ten onrechte niet is gehoord voorafgaand aan het besluit van 1 juli 2005, is die klacht terecht voorgesteld. De rechtbank is evenwel van oordeel dat niet valt in te zien op welke wijze eiser hierdoor in zijn belangen is geschaad, nu deze onvolkomenheid tijdens de behandeling in bezwaar is hersteld. Eiser heeft immers tijdens de hoorzitting van 16 november 2005 alsnog in voldoende mate de gelegenheid gehad zijn standpunt uiteen te zetten. Een vernietiging van het bestreden besluit kan in dit opzicht dan ook achterwege blijven. Overigens merkt de rechtbank nog op dat artikel 4:8, eerste lid, van de Awb er niet toe strekt eiser een laatste gelegenheid te geven alsnog de bij de inspectie geconstateerde gebreken te herstellen (vgl. Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State 3 december 2003, AB 2004, 321). Gelet op het voorgaande moet het beroep ongegrond worden verklaard. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding. 3 Beslissing De rechtbank, recht doende: verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F.C. Francken, voorzitter, en mr. J.S. Holthuis en mr. S.G. Groenhof, leden, en door de voorzitter en A.M.P. Meijer, griffier, ondertekend. De griffier: De voorzitter: Uitgesproken in het openbaar op 18 april 2008. Afschrift verzonden op: Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiser en Kroonduif Air B.V. worden begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.