Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BD0715

Datum uitspraak2005-11-29
Datum gepubliceerd2008-04-29
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Leeuwarden
ZaaknummersAWB 05/158
Statusgepubliceerd


Indicatie

Herroepen van de voorlopige aanslag vloeide voort uit een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid. Verweerder had een vergoeding voor de kosten van het bezwaar moeten toekennen.


Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN Sector bestuursrecht, belastingkamer Registratienummer: AWB 05/158 Uitspraakdatum: 29 november 2005 Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 26 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen [eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres, gemachtigde mr. P.J.R. Venema te Winschoten, en de inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Noord, verweerder, gemachtigde J. Kok. Ontstaan en loop van het geding 1.1 Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2003 een voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd. 1.2 Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt. Daarbij heeft eiseres verzocht om vergoeding van de kosten die zij in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken. 1.3 Bij brief van 27 januari 2005, met verwijzing naar een brief van 13 december 2004, heeft verweerder beslist dat hij aan het bezwaar van eiseres tegemoet komt. Tevens heeft verweerder beslist dat eiseres niet in aanmerking komt voor een vergoeding van de in verband met de bestuurlijke voorprocedure door eiseres gemaakte kosten. 1.4 Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de weigering van verweerder om de door eiseres in de bezwaarprocedure gemaakte kosten te vergoeden. Voorts heeft eiseres de rechtbank verzocht het onderhavige beroep versneld af te handelen, welk verzoek bij brief van 15 februari 2005 door de rechtbank is afgewezen. 1.5 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2005 te Leeuwarden. Partijen zijn daar verschenen. De gemachtigde van eiseres heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan verweerder. Verweerder heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij deze pleitnota behorende bijlagen. 1.6 De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten. De feiten Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast: 2.1 Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2003 een voorlopige aanslag IB/PVV opgelegd. Daarbij heeft verweerder de aangifte IB/PVV voor het jaar 2003 van eiseres gevolgd. Bij de berekening van deze voorlopige aanslag heeft verweerder rekening gehouden met een arbeidskorting van € 574,--. 2.2 Uit de jaaropgave van de werkgever van eiseres volgt dat bij de inhouding van loonheffing voor het jaar 2003 een arbeidskorting van € 639,-- in aanmerking is genomen. Dit volgt eveneens uit de door de werkgever van eiseres aan de belastingdienst verstrekte loonbelastingkaart. Op het moment van het opleggen van de voorlopige aanslag was de loonbelastingkaart aanwezig en verwerkt in het computersysteem van de belastingdienst. 2.3 Het door eiseres ingediende (papieren) aangiftebiljet voor het jaar 2003 bood geen mogelijkheid om de bij de aanslag toe te passen arbeidskorting te vermelden. De digitale aangiftebiljetten voor het jaar 2003 boden deze mogelijkheid wèl. 2.4 Eiseres heeft bij brief van 1 december 2004 bezwaar gemaakt tegen de onder punt 2.1 bedoelde voorlopige aanslag. Daarbij heeft eiseres aangegeven dat bij de berekening van de aanslag rekening dient te worden gehouden met een arbeidskorting van € 639,--. Verder heeft eiseres verzocht om vergoeding van de kosten die zij in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. 2.5 Bij brief van 27 januari 2005, met verwijzing naar een brief van 13 december 2004, heeft verweerder het bezwaar van eiseres gehonoreerd. Aan het verzoek van eiseres om vergoeding van proceskosten is verweerder niet tegemoet gekomen. 2.6 Bij kennisgeving van 11 februari 2005 heeft verweerder de aan eiseres opgelegde voorlopige aanslag IB/PVV voor het jaar 2003 verminderd. Het geschil 3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of eiseres recht heeft op vergoeding door verweerder van de kosten die zij in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. 3.2 Eiseres is van mening dat zij recht heeft op vergoeding van de door haar in de bezwaarfase gemaakte kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, te bepalen op een bedrag van € 161,--. Zij heeft - kort weergegeven - aangevoerd dat de juiste informatie inzake de bij de inhouding van loonheffing toegekende arbeidskorting reeds bij de belastingdienst bekend was, zodat verweerder hiermee bij het opleggen van de onderhavige voorlopige aanslag rekening had moeten houden. Voorts had verweerder met het opnemen van een vraag omtrent de toegekende arbeidskorting in het papieren aangiftebiljet IB/PVV kunnen voorkomen dat een onjuiste voorlopige aanslag is opgelegd. De onrechtmatigheid van de voorlopige aanslag is derhalve te wijten aan verweerder. 3.3 Verweerder is van opvatting dat, nu de aanslag is opgelegd overeenkomstig de door eiseres ingediende aangifte, geen sprake is van aan een aan hem te wijten onrechtmatigheid. Bij het opleggen van een voorlopige aanslag vindt geen uitvoerige controle van de aangifte plaats, omdat dit in strijd is met het voorlopige karakter van die aanslag en de snelheid waarmee deze moet worden opgelegd. Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat, gezien het zeer lichte gewicht van de zaak, slechts recht bestaat op een vergoeding van € 40,25. 3.4. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Beoordeling van het geschil 4.1 Het verzoek van eiseres om het beroepschrift ingevolge artikel 8:52 Awb versneld af te handelen, is door de rechtbank afgewezen, nu naar het oordeel van de rechtbank eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de onderhavige zaak een spoedeisend karakter heeft. Voorts wijst de rechtbank erop dat de huidige korte doorlooptijd van zaken bij de rechtbank reeds resulteert in een voortvarende behandeling. 4.2 Ingevolge artikel 7:15, tweede en derde lid, van de Awb worden de kosten, die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Het verzoek wordt gedaan voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist. Het bestuursorgaan beslist op het verzoek bij de beslissing op het bezwaar. 4.3 Vaststaat dat eiseres in haar bezwaarschrift heeft verzocht om vergoeding van de kosten die zij in verband met de behandeling van redelijkerwijs heeft moeten maken. Uit de als bijlage E bij het verweerschrift gevoegde brief van verweerder van 27 januari 2005 volgt dat verweerder heeft beslist dat eiseres niet in aanmerking komt voor de door haar gevraagde vergoeding. Ondanks dat in deze brief staat vermeld dat de officiële uitspraak op het bezwaarschrift van eiseres afzonderlijk aan eiseres zal worden toegezonden, is de rechtbank van oordeel dat deze brief als uitspraak op het bezwaarschrift met de daarbij op het verzoek om kostenvergoeding genomen beslissing moet worden aangemerkt. Hierbij wijst de rechtbank erop dat de brief van 27 januari 2005 een rechtsmiddelenverwijzing bevat, dat niet op andere wijze uitspraak is gedaan en dat de vermindering van de voorlopige aanslag uiteindelijk heeft plaatsgevonden bij een nadere voorlopige aanslag, waartegen aldus de rechtsmiddelenverwijzing (opnieuw) bezwaar kon worden gemaakt. Aan het door eiseres in haar beroepschrift in dit verband opgeworpen primaire standpunt gaat de rechtbank - wat daar verder ook van zij - voorbij. De rechtbank overweegt derhalve dat het beroep moet worden geacht te zijn gericht tegen de in de brief van verweerder d.d. 27 januari 2005 vervatte beslissing op het verzoek van eiseres om vergoeding van de in de bezwaarprocedure gemaakte kosten. 4.4 Uit de vaststaande feiten volgt dat verweerder bij het vaststellen van de onderhavige voorlopige aanslag - gelet op het bepaalde in artikel 8.11, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 - een te laag bedrag aan arbeidskorting in aanmerking heeft genomen en dat verweerder op het bezwaar van eiseres deze onrechtmatigheid heeft erkend en vervolgens heeft weggenomen door deze voorlopige aanslag te verminderen. De rechtbank is van oordeel dat het feit dat het door eiseres ingediende papieren aangiftebiljet niet de mogelijkheid bood om de bij de loonheffing in aanmerking genomen arbeidskorting te vermelden, een omstandigheid is die voor rekening van verweerder dient te komen. Dit klemt te meer nu de digitale aangiftebiljetten voor 2003 die mogelijkheid wel boden. Onder deze omstandigheid mag van verweerder worden verlangd dat hij de, naar vaststaat, in zijn computersysteem verwerkte gegevens van eiseres' loonbelastingkaart betrekt bij de vaststelling van de voorlopige aanslag en kan de massaliteit van het proces niet tot een ander oordeel leiden. Derhalve vloeit het herroepen van de voorlopige aanslag voort uit een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid, zodat verweerder een vergoeding voor de kosten van het bezwaar had moeten toekennen. De rechtbank zal het beroep daarom gegrond verklaren. 4.5 De rechtbank veroordeelt op grond van artikel 8:75 van de Awb verweerder in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank stelt deze kosten op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) op € 40,25 (1 punt voor het bezwaarschrift met een waarde van € 161,-- en een wegingsfactor van 0,25) ter zake van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De rechtbank wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden. 4.6 De rechtbank vindt in de omstandigheden van het geval aanleiding op grond van artikel 8:75 van de Awb verweerder eveneens te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit vast op € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,- en een wegingsfactor 1) ter zake van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De rechtbank wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de bij de uitspraak op het bezwaar genomen beslissing van verweerder op het verzoek van eiseres om vergoeding van de in verband met de behandeling van het bezwaar gemaakte kosten; - gelast dat de Staat der Nederlanden het door eiseres betaalde griffierecht van € 37,-- aan eiseres vergoedt; - veroordeelt verweerder in de kosten van het bezwaar ten bedrage van € 40,25; - veroordeelt verweerder in de kosten van het beroep ten bedrage van € 644,--; - wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die vermelde kosten aan eiseres dient te vergoeden. Deze uitspraak is vastgesteld door mr. J.W. Keuning. De beslissing is op 29 november 2005 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. K. van der Leij, griffier. Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum: - hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden; dan wel - beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt. N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd. Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen: 1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. 2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie. Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.