Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BD1045

Datum uitspraak2007-12-07
Datum gepubliceerd2008-05-07
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 07/89 WWB
Statusgepubliceerd


Indicatie

Beroep tegen terugvordering WWB uitkering ongegrond. Schending inlichtingenplicht. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden de op de twee bankrekeningen gestorte bedragen als middelen aangemerkt waarmee bij de verlening van bijstand rekening dient te worden gehouden.


Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage sector bestuursrecht eerste afdeling, enkelvoudige kamer Reg. nr. AWB 07/89 WWB UITSPRAAK als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) Uitspraak in het geding tussen [eiseres], wonende te [woonplaats], en Het College van burgemeester en wethouders van 's-Gravenhage, verweerder. Ontstaan en loop van het geding Bij besluit van 3 mei 2006 heeft verweerder het recht op uitkering van eiseres ingevolge de Wet Werk en Bijstand (hierna: WWB) over de periode 1 januari 1998 tot en met 29 februari 2004 herzien en de uitkering over deze periode tot een bedrag van € 27.150,64 teruggevorderd. Bij besluit van 7 december 2006, verzonden op 14 december 2006, heeft verweerder, het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit deels herzien. Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 3 januari 2007 beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Het beroep is op 14 september 2007 ter zitting behandeld. Eiseres is verschenen en bijgestaan door mr. M.J. Hulsbosch. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.H. Buizert. Motivering Sedert 6 juni 1995 is aan eiseres gezinsbijstand toegekend. Uit informatie van de belastingdienst is gebleken dat de echtgenoot van eiseres, de heer [A.], met wie zij een gezamenlijke huishouding voert, een rekening bij de [bank A.] en de [B. Bank] op zijn naam heeft staan. Niet in geschil is eiseres hiervan geen melding heeft gedaan aan verweerder. Op verzoek van verweerder heeft eiseres bankafschriften terzake van deze rekeningen overgelegd. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat gewijzigde omstandigheden tot herziening van het recht op uitkering hebben genoopt. Verweerder heeft geconstateerd dat eiseres een bruidschat heeft verkregen terzake waarvan zij verweerder in strijd met de inlichtingenverplichting ingevolge artikel 65 van de Algemene bijstandswet en artikel 17 van de WWB niet op de hoogte heeft gesteld. Verweerder heeft niet aannemelijk geacht dat de bruidschat is gestort op een rekening bij de [A.]-Bank. Voorts heeft eiseres het verband tussen de kasstortingen op de [B. Bank]-rekening en de kasopnames van de [C. Bank]-rekening niet aannemelijk gemaakt. Het betreft hier middelen waarmee voor de bepaling van het uitkeringsrecht rekening dient te worden gehouden. Verweerder heeft het bezwaar gegrond verklaard omdat ten onrechte over het gehele jaar 2001 fictieve rente in aanmerking is genomen ten aanzien van de rekening bij de [A.]-Bank, terwijl eiseres deze rekening pas op 20 maart 2001 heeft geopend. In zoverre heeft verweerder het besluit herroepen en de terugvordering dienovereenkomstig gematigd. Eiseres voert tegen het bestreden besluit aan dat zij geen aanvullende inkomsten heeft genoten. Alle stortingen op de [B. Bank]rekening zijn afkomstig van de opnames van de [C. Bank]-rekening. Na aftrek van de vaste lasten werd het meerdere van de [C. Bank]-rekening opgenomen en deels als huishoudgeld gebruikt waarna het restant op de [B. Bank]-rekening werd gestort. Het saldo van de [C. Bank]-rekening bestaat enkel uit de bedragen die eiseres aan bijstandsuitkering, kinderbijslag, huursubsidie en reïntegratiesubsidie ontvangt. Bedragen die zijn gestort op de [B. Bank]-rekening betreffen daarom spaargeld. Verweerder heeft ten onrechte de gestorte bedragen op de [B. Bank]rekening als verzwegen aanvullende middelen in aanmerking genomen, aldus eiseres. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiseres het gestelde verband tussen opnames van de [C. Bank]-rekening en de stortingen op de [B. Bank]-rekening en de rekening van de [A.]-Bank onvoldoende heeft aangetoond. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat op eiseres de bewijslast rust om aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens de herkomst van de gestorte bedragen aan te tonen nu zij het bestaan van deze rekeningen voor verweerder heeft verzwegen. Als gevolg heeft zij de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden als bedoeld in, hier ten tijde van belang, artikel 65 van de Algemene bijstandswet. Wat betreft de stortingen op de [B. Bank]-rekening overweegt de rechtbank het volgende. Blijkens het zich onder de gedingstukken bevindende overzicht van de stortingen (bedragen in euro’s) op de [B. Bank]-rekening (eerste storting dateert van 19 januari 1998, de laatste van 23 februari 2004) is in 2000 op deze rekening een bedrag gestort van fl 17.907 en in 2001 fl. 16.970. Aan eiseres is over deze jaren ongeveer fl. 25.000 bijstandsuitkering verleend hetgeen zou betekenen dat eiseres en haar gezin (echtgenoot en twee kinderen) hebben geleefd van ongeveer fl. 625,- per maand. Uitgaande van een maximale reserveringscapaciteit van 10% van de bijstandsnorm, komt het de rechtbank niet geloofwaardig voor dat de gestorte bedragen spaargelden betreffen. Immers, het zou betekenen dat eiseres (en haar gezin) ruim 65% van de bijstandsuitkering hebben gespaard. In ieder geval heeft eiseres ter ondersteuning van haar stelling geen nadere verifieerbare onderbouwing gegeven. Het in het bezwaarschrift opgenomen overzicht van de maandelijkse vaste lasten acht de rechtbank onvoldoende. Voorts biedt ook de frequentie en de korte tussenpozen waarmee ‘spaargeld’ van de [C. Bank]-rekening op verschillende momenten naar de [B. Bank]-rekening is gestort geen steun voor de stelling dat het om spaargeld ging. Zo is in 1999 op 4 oktober, 12 oktober, 10 november, 17 november en 30 november, respectievelijk een bedrag gestort van fl. 1.200,-, fl. 1.300, fl. 600,-, fl. 500,- en fl. 875,-. Op 1 december 2000 is een bedrag gestort van fl. 1.000,-, op 6 december 2000 fl. 1.200,- en op 20 december 2000 fl. 1.950,-. Derhalve is in een tijdsbestek van 20 dagen fl. 4.150,- door eiseres van de bijstandsuitkering ‘opzij gelegd’. Voorts is op 30 maart 2001 gestort een bedrag van fl. 1.500,- en op 11 april 2001 fl. 1.200,-. Eiseres heeft geen plausibele verklaring gegeven waarom ‘spaarbedragen’ met korte tussenpozen werden opgenomen en gestort. Zonder een bijzondere aanleiding zou het eerder voor de hand hebben gelegen dat spaargeld na een langer tussenliggende periode van de ene naar de andere rekening wordt verplaatst. Eiseres heeft ter ondersteuning van haar stelling nog gewezen op een verband tussen de kasopnames (van de [C. Bank]-rekening) op 2 en 3 januari 2000 van respectievelijk fl. 1.000,- en fl. 600,- en de kasstorting (op de [B. Bank]-rekening) op 5 januari van fl. 2.000. Voor de rechtbank is een dergelijk verband niet gebleken reeds omdat, anders dan eiseres heeft gesteld, de storting het bedrag van de opnames overstijgt. Wat betreft de kasstortingen op de [A.]-Bankrekening overweegt de rechtbank het volgende. Eiseres heeft gesteld dat zij bij haar huwelijk in Turkije in 1994 een bruidschat heeft gekregen bestaande uit bruidsgeld en goud ter waarde van ongeveer fl. 9.000,-. In maart 2001 heeft zij in verband hiermee een bedrag van fl. 9.000,- op de rekening bij de [A.]-Bank gestort, aldus eiseres. De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens heeft aangetoond dat de ‘bron’ van dit bedrag (fl. 9.000,-) de bruidschat is. De rechtbank heeft hierbij mede in aanmerking genomen het lange tijdsverloop tussen de vermeende ontvangst van de bruidschat in 1994 en het moment (maart 2001) waarop genoemd bedrag op de rekening is gestort. Voorts is blijkens genoemd overzicht van de stortingen (waarop ook drie stortingen voorkomen op de rekening van de [A.]-Bank) op 13 juni 2001 en 3 juli 2001 op de [A.]-Bankrekening een bedrag gestort van respectievelijk fl. 7.400,- en fl. 3.000,-. De rechtbank is niet overtuigd geraakt van het door eiseres gestelde verband tussen deze stortingen en de opnames van de [B. Bank]-rekening op 13 juni 2001 en 3 juli 2001 van respectievelijk fl. 5.000,- en fl. 2.500,- , nu de kasstortingen op de rekening van de [A.]-Bank meer bedragen. Het enkele feit dat de opnames en stortingen op dezelfde dag hebben plaatsgevonden acht de rechtbank onvoldoende om een verband aan te nemen, nog daargelaten dat de herkomst van de bedragen op de [B. Bank]-rekening niet duidelijk is geworden. Verweerder heeft gelet op het voorgaande naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden de op de [B. Bank]rekening en rekening van de [A.]-Bank gestorte bedragen als middelen aangemerkt waarmee bij de verlening van bijstand rekening dient te worden gehouden. Als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting heeft eiseres vanaf 1998 ten onrechte bijstand ontvangen en kwam verweerder op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bevoegdheid toe de uitkering te herzien. In hetgeen eiseres heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat verweerder, na afweging van de betrokken belangen, in redelijkheid niet kon overgaan het recht van eiseres op bijstand over de in geding zijnde periode te herzien. Uit het voorgaande volgt dat verweerder ingevolge artikel 58, eerste lid, onder a, van de WWB de bevoegdheid toekwam tot terugvordering over te gaan van bijstand die ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder, na afweging van de betrokken belangen, in redelijkheid niet tot de onderhavige terugvordering kon overgaan. De rechtbank komt tot de slotsom dat het beroep ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank ’s-Gravenhage, RECHT DOENDE: verklaart het beroep ongegrond. Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Aldus gegeven door mr. C.F. de Lemos Benvindo en in het openbaar uitgesproken op 7 december 2007, in tegenwoordigheid van de griffier J.A. de Kievit-Tempels.