Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BD1543

Datum uitspraak2007-11-26
Datum gepubliceerd2008-05-14
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Amsterdam
ZaaknummersAWB 05/1403 HUISV
Statusgepubliceerd


Indicatie

Artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Samenvatting De beslissing tot verlaging van het percentage sociale huurwoningen is niet aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, nu een publiekrechtelijke grondslag, bijvoorbeeld in de Huisvestingsverordening of in de Wet op de Stads- en dorpsvernieuwing, ontbreekt. Het besluit is naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als een onderdeel van een (te sluiten) privaatrechtelijke projectontwikkelingsovereenkomst


Uitspraak

Rechtbank Amsterdam Sector Bestuursrecht meervoudige kamer UITSPRAAK in het geding met reg.nr. AWB 05/1403 HUISV tussen: de Vereniging Jordanese Buurtgroep Schievink, statutair gevestigd te Amsterdam, eiseres, vertegenwoordigd door M.J. Rijpkema, en het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum van de gemeente Amsterdam, verweerder, vertegenwoordigd door mr. A.F.P. van Mierlo. Tevens heeft als partij aan het geding deelgenomen: woningbouwvereniging Eigen Haard (EH), statutair gevestigd te Amsterdam, belanghebbende, vertegenwoordigd door mr. C.J. Visser. 1. PROCESVERLOOP De rechtbank heeft op 7 maart 2005 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van ver-weerder van 18 januari 2005, verzonden op 21 januari 2005 (hierna: het bestreden besluit). Het onderzoek is gesloten ter zitting van 27 september 2007. 2. OVERWEGINGEN Op 9 november 2004 heeft verweerder ingestemd met het voorstel om het percentage sociale huurwo-ningen in het project Schievink te verlagen van 55% naar minimaal 30%. Tegen deze beslissing heeft eiseres tijdig bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, onder overneming van het advies van de bezwaar¬schriftencommissie, het bezwaar (kennelijk) niet-ontvankelijk verklaard, omdat een wijziging van het minimum aandeel sociale huurwoningen niet is aan te merken als een besluit in de zin van de Algeme-ne wet bestuursrecht (Awb). Een dergelijke beslissing is geen publiekrechtelijke rechtshandeling. De wijziging van het minimumpercentage vloeit voort uit een Stedenbouwkundig Programma van Eisen dat ten doel heeft projectontwikkeling mogelijk te maken. Het besluit van 9 november 2004 is aldus een besluit dat als voorwaarde gaat gelden van een nog af te sluiten privaatrechtelijke projectontwikke-lingsovereenkomst tussen het stadsdeel en EH. In het verweerschrift heeft verweerder daarbij ook ge-wezen op het bepaalde in artikel 8:3 van de Awb. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt. Zij heeft er daarbij op gewezen dat het een onderdeel vormt van een zogeheten “fase 3”-besluit, naast bijvoorbeeld het aantal woningen, de mate van behoud en herstel ten opzichte van sloop-/nieuwbouw en de door het stadsdeel ter beschikking te stellen gel-den. Het besluit wordt ook genomen door een bestuursorgaan, niet door een particulier. Dat een fase 3-besluit uiteindelijk door particuliere ontwikkelaars wordt uitgevoerd, neemt niet weg dat een fase 3-besluit vele voorwaarden voor een stadsvernieuwingsproject vastlegt. Daarmee heeft het vele rechts-gevolgen. Daarnaast is aangevoerd dat met de voorgestane verdeling van te realiseren woonruimte (ten onrechte) wordt afgeweken van de startnotitie van 1996 voor cluster Schievink. Gelet op de omstandigheden van het geval, waaronder de samenhang met een aantal andere gelijktijdig dienende beroepszaken, ziet de rechtbank geen aanleiding om gebruik te maken van haar bevoegdheid om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren omdat eerst na het verstrijken van geboden hersteltermijn de gronden van de beroepen zijn aangevuld. De rechtbank overweegt als volgt. Ingevolge het bepaalde in artikel 8:1, eerste lid van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank. Op grond van artikel 7:1 van de Awb dient hij (voorzover hier van belang) daartegen eerst een bezwaarschrift in te dienen. De beoordeling of voldaan is aan artikel 8:1 van de Awb doet zich dan (al) voor in bezwaar. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Anders dan eiseres lijkt te menen, is dus niet elk besluit van een bestuursorgaan een besluit in de zin van de Awb waartegen be-roep kan worden ingesteld. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de beslissing van 9 november 2004 inzake de verla-ging van het percentage sociale huurwoningen in het project Schievink naar 30% niet is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Een publiekrechtelijke grondslag van het besluit, bijvoorbeeld in de Huisvestingsverordening of in de Wet op de Stads- en dorpsvernieuwing, ontbreekt. Deze beslissing is naar het oordeel van de rechtbank onderdeel van een (te sluiten) privaatrechtelijke projectontwikkelings¬over¬een¬komst tussen de gemeen-te en EH ter uitvoering van het project Schievink. De enkele gestelde omstandigheid dat die beslissing onderdeel uitmaakt van een veel breder fase 3-besluit leidt niet tot een ander oordeel. Of de overige onderdelen van het fase 3-besluit (zoals bijvoor-beeld de terbeschikkingstelling van gelden) een besluit vormen als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb, ligt voorts buiten de grenzen van dit geding omdat eiseres tegen die onderdelen geen rechtsmiddelen heeft aangewend. Verweerder heeft eiseres derhalve terecht niet ontvankelijk verklaard in haar bezwaar. Waar het bezwaar (terecht) niet-ontvankelijk is verklaard, kan de rechtbank ook geen oordeel vellen over de door eisers gestelde gestelde afwijking van de startnotitie van 1996 voor cluster Schievink. Het beroep wordt ongegrond verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding een der partijen te veroorde-len in de proceskosten of te bepalen dat het griffierecht aan eiseres dient te worden vergoed. Beslist wordt als volgt. 3. BESLISSING De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan op 26 november 2007 door mr. Y.A.A.G. de Vries, voorzitter, mrs. H.J. Tijselink en B.J. Schueler, leden, in tegenwoordigheid van mr. V.M. Behrens, griffier, en bekend gemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum. De griffier, De voorzitter, Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toe-zending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ’s-Gravenhage. Afschrift verzonden op: DOC: B