Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BD1888

Datum uitspraak2008-05-16
Datum gepubliceerd2008-05-19
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/2770 WSF
Statusgepubliceerd


Indicatie

Herziening toekenning partnertoeslag.


Uitspraak

07/2770 WSF Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 maart 2007, 06/706 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep). Datum uitspraak: 16 mei 2008 I. PROCESVERLOOP Appellante heeft hoger beroep ingesteld en de IB-Groep heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2008. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door haar partner, [naam partner]. De IB-Groep was vertegenwoordigd door mr. T. Holtrop. II. OVERWEGINGEN 1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat aan appellante ten onrechte een partnertoeslag is toegekend, dat appellante dat redelijkerwijs had kunnen weten en dat de IB-Groep dus bevoegd was de toekenningsbesluiten te herzien. 2. Appellante heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat zij te goeder trouw was. Zij heeft verwezen naar de door haar partner ingevulde inkomstenverklaringen, waarop deze heeft aangegeven dat hij waarschijnlijk niet aan de voorwaarden voldoet; toch heeft de IB-Groep haar de toeslag toegekend. 3.1. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met haar stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. Het standpunt van appellante dat de IB-Groep een fout heeft gemaakt bij de toekenning van de partnertoeslag waarvan zij niet de dupe wenst te worden gaat eraan voorbij dat haar partner het partnerformulier niet eenduidig heeft ingevuld en dat de wet het juist mogelijk maakt onjuiste beslissingen te herstellen. Overigens merkt de Raad op dat hij er niet van uit gaat dat appellante niet te goeder trouw was. 3.2. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep geen doel treft. 4. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sondereggger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2008. (get.) J. Janssen. (get.) M.C.T.M. Sonderegger. SSw