
Jurisprudentie
BD1903
Datum uitspraak2008-05-14
Datum gepubliceerd2008-05-19
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/5505 ZW
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-05-19
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/5505 ZW
Statusgepubliceerd
Indicatie
Met nader besluit geheel tegemoet gekomen. Proceskostenveroordeling
Uitspraak
06/5505 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 11 augustus 2006, 06/1881 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 14 mei 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A.T. Meijhuis, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 2 april 2008. Partijen zijn met kennisgeving niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit op bezwaar van 4 april 2006 (hierna: besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen de beëindiging van haar uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) met ingang van 1 november 2005 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Bij brief van 28 februari 2008 heeft het Uwv de Raad een afschrift van een besluit op bezwaar van diezelfde datum (hierna: besluit 2) gezonden, met het verzoek dat besluit in de lopende procedure te betrekken.
Bij besluit 2 heeft het Uwv appellante medegedeeld dat zij voor haar arbeid in de zin van de ZW ook op en na 1 november 2005 ongeschikt wordt geacht, dat het bezwaar tegen de beëindiging van het ziekengeld alsnog gegrond wordt verklaard en dat zij ook op en (vooralsnog) na 1 november 2005 recht houdt op ziekengeld.
De Raad stelt vast dat met besluit 2 geheel is tegemoetgekomen aan het bezwaar van appellante. De Raad acht dan ook geen termen aanwezig om het beroep van appellante met toepassing van de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede gericht te achten tegen besluit 2.
Voorts stelt de Raad vast dat appellante geen belang meer heeft bij een uitspraak over het beroep tegen de aangevallen uitspraak, nu het Uwv besluit 1 niet langer handhaaft. De Raad zal het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak dan ook niet-ontvankelijk verklaren.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 966,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 143,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2008.
(get.) M.C.M. van Laar.
(get.) P. van der Wal.
JL