Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BD2163

Datum uitspraak2008-05-14
Datum gepubliceerd2008-05-22
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200802499/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Vreemdelingenbewaring / grond voor opheffing / herhaalde bewaring
De vreemdeling is eerder bij besluit van 6 februari 2007 in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 18 oktober 2007 heeft de rechtbank de onmiddellijke opheffing van deze maatregel bevolen. Zij heeft daarbij overwogen dat geen sprake was van voldoende voortvarend handelen van de zijde van de staatssecretaris en het voortduren van de maatregel na afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd was te achten. Op dezelfde dag heeft de staatssecretaris de bewaring van de vreemdeling opgeheven op de grond dat vooralsnog geen zicht op uitzetting bestaat. Uit het voorgaande volgt, anders dan de rechtbank heeft overwogen, dat de eerdere bewaring van de vreemdeling is opgeheven wegens het ontbreken van zicht op uitzetting. De staatssecretaris was gehouden de bewaring op te heffen met inachtneming van de rechterlijke uitspraak. Dat hij aan de opheffing gebrek aan zicht op uitzetting ten grondslag heeft gelegd heeft de vreemdeling niet in een nadeliger positie gebracht. De grieven I en II slagen derhalve.


Uitspraak

200802499/1 Datum uitspraak: 14 mei 2008 RAAD VAN STATE AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de mondelinge uitspraak in zaak nr. 08/10244 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 1 april 2008 in het geding tussen: [appellant] en de staatssecretaris van Justitie. 1. Procesverloop Bij besluit van 20 maart 2008 is [appellant] (hierna: de vreemdeling) in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht. Bij mondelinge uitspraak van 1 april 2008, waarvan het proces verbaal verzonden is op 7 april 2008, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Het proces verbaal van deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 7 april 2008, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Deze brief is aangehecht. De staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) heeft een verweerschrift ingediend. Vervolgens is het onderzoek gesloten. 2. Overwegingen 2.1. In de grieven I en II, in onderlinge samenhang bezien, klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de eerdere bewaring niet is opgeheven wegens het ontbreken van zicht op uitzetting, zodat het niet nodig is te onderzoeken of sprake is van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat thans zicht op uitzetting niet ontbreekt. Zij heeft volgens hem niet onderkend dat voor de opheffing van deze maatregel het vooralsnog ontbreken van zicht op uitzetting als reden is aangegeven. 2.1.1. De vreemdeling is eerder bij besluit van 6 februari 2007 in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 18 oktober 2007 heeft de rechtbank de onmiddellijke opheffing van deze maatregel bevolen. Zij heeft daarbij overwogen dat geen sprake was van voldoende voortvarend handelen van de zijde van de staatssecretaris en het voortduren van de maatregel na afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd was te achten. Op dezelfde dag heeft de staatssecretaris de bewaring van de vreemdeling opgeheven op de grond dat vooralsnog geen zicht op uitzetting bestaat. Uit het voorgaande volgt, anders dan de rechtbank heeft overwogen, dat de eerdere bewaring van de vreemdeling is opgeheven wegens het ontbreken van zicht op uitzetting. De staatssecretaris was gehouden de bewaring op te heffen met inachtneming van de rechterlijke uitspraak. Dat hij aan de opheffing gebrek aan zicht op uitzetting ten grondslag heeft gelegd heeft de vreemdeling niet in een nadeliger positie gebracht. De grieven I en II slagen derhalve. 2.2. Het hoger beroep is reeds hierom kennelijk gegrond. Hetgeen voor het overige is aangevoerd behoeft geen bespreking meer. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen. 2.3. De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank dient omtrent de vergoeding van deze kosten te beslissen. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de mondelinge uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 1 april 2008 in zaak nr. 08/10244; III. wijst de zaak naar de rechtbank terug; IV. stelt de door de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten. Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. P.B.M.J. van der Beek Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Snijders, ambtenaar van Staat. w.g. Troostwijk voorzitter w.g. Snijders ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2008 279 Verzonden: 14 mei 2008 Voor eensluidend afschrift, de secretaris van de Raad van State, voor deze, mr. H.H.C. Visser, directeur Bestuursrechtspraak