
Jurisprudentie
BD2231
Datum uitspraak2008-05-21
Datum gepubliceerd2008-05-22
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/5680 WAO, 07/5681 WAO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-05-22
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/5680 WAO, 07/5681 WAO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Afwijzing verzoek om toepassing van bijzondere rechtsmiddel van herziening. Geen sprake van nieuwe feiten of omstandigheden.
Uitspraak
07/5680 WAO en 07/5681 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht op het verzoek van:
[Verzoeker] (hierna: verzoeker),
om herziening van de uitspraak van de Raad van 21 augustus 2007 (05/4530 + 05/4531 WAO)
in de gedingen tussen:
verzoeker
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 21 mei 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens verzoeker heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 21 augustus 2007 (05/4530 + 05/4531 WAO).
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2008.
Namens verzoeker is verschenen mr. De Jonge. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof.
II. OVERWEGINGEN
1. Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet, in samenhang met artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
2. Bij de uitspraak van 21 augustus 2007 heeft de Raad de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 23 juni 2005 (04/795) en 27 juni 2005 (05/130), waarbij het beroep van verzoeker tegen besluiten van het Uwv van 16 februari 2004 en 3 januari 2005 niet-ontvankelijk respectievelijk ongegrond is verklaard, bevestigd.
3. Het verzoekschrift bevat slechts grieven die betrekking hebben op de procedure welke heeft geleid tot voormelde uitspraak van de Raad van 21 augustus 2007, maar bevat niet enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als bedoeld in genoemde bepaling van de Awb.
4. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 3 oktober 2003 ( LJN: AN7982) is het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet gegeven om anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb juncto artikel 21 van de Beroepswet, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen. Het verzoek om herziening dient dan ook te worden afgewezen.
5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C.M. van Laar en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2008.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) R.L. Rijnen.
SSw