Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BD2704

Datum uitspraak2008-05-15
Datum gepubliceerd2008-05-28
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 06/3189 BELGW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Grondwaterbelasting. Vergrijpboete. Eiseres is houder van een inrichting die grondwater onttrekt aan de bodem. Zij heeft de over die onttrekkingen verschuldigde grondwaterbelasting niet aangegeven en/of betaald. Ter zake daarvan zijn een naheffingsaanslag en een vergrijpboete opgelegd betreffende het tijdvak 1999 - 2004. Voor zover de vergrijpboete betrekking heeft op de in 1999 ontstane belastingschuld geldt dat ten tijde van het opleggen van de boete door verloop van vijf jaren de wettelijke bevoegdheid deze op te leggen reeds was vervallen. Daaraan doet niet af dat eiseres eenzijdig afstand heeft gedaan van haar recht om zich te beroepen op het verstrijken van de wettelijke termijn waarbinnen de in geschil zijnde vergrijpboete kan worden opgelegd. Aan zo’n verklaring kan verweerder niet de bevoegdheid ontlenen om in strijd met de wet strafvervolging in te stellen. Nu het opleggen van een vergrijpboete met het instellen van strafvervolging gelijk wordt gesteld, bewerkstelligt de eenzijdige verklaring van eiseres evenmin dat verweerder aan eiseres na het verstrijken van de daarvoor geldende termijn een vergrijpboete kan opleggen. Voor de jaren 2000 – 2004 geldt dat eiseres op de hoogte had behoren te zijn van het feit dat zij voor één van haar vestigingen belastingplichtig was voor de grondwaterbelasting. Er is geen sprake van een verontschuldigbare rechtsdwaling. Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat het niet (tijdig) betalen van de grondwaterbelasting te wijten is aan de voorwaardelijke opzet van eiseres, zodat de boete over het tijdvak januari 2000 – juni 2004 terecht is opgelegd. Wel ziet de rechtbank in de ernst van het beboetbare feit en in de overschrijding van de redelijke termijn redenen om de vergrijpboete verder te matigen.


Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer Procedurenummer: AWB 06/3189 BELGW Uitspraakdatum: 15 mei 2008 Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [X.] NV, gevestigd te [Z.], eiseres, en de inspecteur van de Belastingdienst te [P.] verweerder. 1. Ontstaan en loop van het geding 1.1. Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 26 april 2005 over het tijdvak 1 januari 1999 tot en met 28 juni 2004 een naheffingsaanslag grondwaterbelasting ([aanslagnummer]) opgelegd voor een bedrag van € 506.649. Gelijktijdig heeft verweerder aan eiseres bij beschikking een vergrijpboete opgelegd van € 253.324 en een bedrag van € 54.559 aan heffingsrente in rekening gebracht. 1.2. Verweerder heeft bij besluit van 22 februari 2006 het bezwaar ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag en de beschikkingen gehandhaafd. 1.3. Eiseres heeft daartegen bij brief van 3 april 2006, op dezelfde datum bij de rechtbank ontvangen, beroep ingesteld. Bij brief van 8 mei 2006 heeft eiseres haar beroepschrift aangevuld. 1.4. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. 1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2008 te 's-Gravenhage. Daar zijn namens eiseres verschenen [...]. Namens verweerder zijn verschenen [...]. Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan elkaar. 2. Feiten Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast. 2.1. Tot 12 april 2000 droeg eiseres de naam NV [glasfabrieken]. Met ingang van die datum is haar naam gewijzigd in [X.] NV. Eiseres heeft in Nederland een drietal vestigingen, namelijk te [Z.], [L.] en [M.]. In de periode 1994 – 2003 hadden deze vestigingen elk een eigen milieucoördinator. De financiële administratie voor eiseres wordt op de vestiging in [Z.] bijgehouden. Voor haar ondernemingsactiviteiten maakt eiseres onder meer gebruik van (opgepompt) grondwater. 2.2. In december 1994 heeft het centraal milieubelastingteam (CMT) van de Belastingdienst Grote Ondernemingen Rotterdam aan NV [glasfabrieken], [adres] [Z.], een ‘Opgaaf Grondwaterbelasting Vaststelling aangifteplicht’ (hierna: de Opgaaf) alsmede een Aangiftebiljet Grondwaterbelasting voor het tijdvak januari 1995 (hierna: de Aangifte) toegezonden. 2.3. Met dagtekening 11 januari 1995 heeft [persoon A.], milieucoördinator van de vestiging van eiseres te [Z.], de Opgaaf namens de N.V. [glasfabrieken] ingevuld en daarop onder meer het volgende vermeld: “Onze inrichting op het onder 2b genoemde adres onttrekt grondwater met een chloride-gehalte groter dan 300 mg/l (zie bijlage voor analysecijfers). Daarom is de NV [glasfabrieken] niet belastingplichtig op grond van de WBM voor de grondwaterbelasting. Om deze reden wordt dit formulier niet verder ingevuld (n.v.t.).” Met dagtekening 3 februari 1995 heeft [persoon A.] de Aangifte ingediend, waarin zij onder meer het volgende heeft vermeld: “Omdat wij grondwater onttrekken met een chloride-gehalte > 300 mg/l zijn wij niet belastingplichtig. Daarom bedraagt de belasting fl. 0,00. Zie ons [aangifteformulier].” 2.4. Op 13 juni 2003 heeft de belastingdienst [P.] aan NV [D.]’s Glasfabriek [Z.] een ‘Vragenformulier inzake controle grondwaterbelasting’ (hierna: het Vragenformulier) gestuurd. In de begeleidende brief is onder meer het volgende vermeld: "Betreft Vragenformulier inzake controle Grondwaterbelasting Bijgaand treft u een vragenformulier aan: Waarom dit formulier? In 1995 is de Wet belasting op milieugrondslag (WBM) in werking getreden. Onder de WBM vallen vijf belastingen: - een belasting op grondwater; - (...) U ontvangt dit formulier omdat u houder bent (geweest) van één of meer inrichtingen voor het onttrekken van grondwater. Als u houder bent (geweest) van meerdere inrichtingen voor het onttrekken van grondwater, hoeft u over dit project toch slechts één formulier in te vullen. Een inrichting kan bestaan uit meerdere installaties die één inrichting vormen. Over het onttrekken van grondwater moet u in beginsel belasting betalen. Met grondwater wordt bedoeld: zoet grondwater. Dat wil zeggen: grondwater dat minder dan 300 milligram chloride per liter bevat. Invullen en terugsturen De vragen van deze opgaaf hebben betrekking op grondwateronttrekkingen t.b.v. koelwater vanaf het jaar 1998. Beantwoord alle vragen en onderteken het formulier. Ik verzoek u de opgaaf binnen 14 dagen te retourneren in bijgevoegde retourenvelop. (...) Na ontvangst van het formulier zal door de belastingdienst worden vastgesteld of u belastingplichtig bent voor de grondwaterbelasting of dat eventuele vrijstellingen van toepassing zijn. Indien u over dit project grondwaterbelasting verschuldigd bent, zal een naheffing worden opgelegd, hierin kan tevens een bestuurlijke boete zijn begrepen. Indien u reeds een aangifte grondwaterbelasting heeft ingediend, verzoek ik u toch dit formulier volledig ingevuld en voorzien van de gevraagde informatie te retourneren, zodat wij uw aangifte af kunnen stemmen met de onderliggende gegevens. Meer informatie? Meer informatie over belastingplicht, tarieven en vrijstellingen vindt u in de bijlage “grondwaterbelasting” die u bij deze brief ontvangt. Als u vragen heeft over het formulier of over de bijlage, kunt u contact opnemen met: Belastingdienst/[P.], (...) " 2.5. Met dagtekening 11 juli 2003 heeft ir. [H.], Hoofd Milieu & Veiligheid van de vestiging van eiseres te [Z.] het Vragenformulier ingevuld en geretourneerd. In de begeleidende brief aan de Belastingdienst [P.] heeft [L.] MBA, financieel directeur, namens eiseres het volgende meegedeeld: “Bij deze reageren wij op uw brief met bovengenoemd kenmerk, inzake het vragenformulier controle grondwaterbelasting. Alhoewel uw brief gericht was aan N.V. [D.]’s Glasfabriek [Z.], hebben wij deze in behandeling genomen. Enerzijds omdat de productievestiging [Z.] onderdeel is van onze vennootschap en anderzijds, omdat de aangeschreven vennootschap (een dochter-onderneming van BSN) reeds vorig jaar is geliquideerd en derhalve is doorgehaald in het register bij de Kamer van Koophandel. Ten aanzien van de beide vragen die u in uw brief stelt, kunnen we met een kort antwoord volstaan. Het opgepompte grondwater voldoet niet aan de te stellen normen; het gehalte chloride ligt ruimschoots boven de 300 milligram per liter en is daardoor niet als ‘zoet grondwater’ aan te merken. Daarover is dan ook geen belasting verschuldigd en er is ook geen aangifte gedaan over de jaren waaraan u refereert in uw brief (1998 tot en met 2002). (...).” 2.6. In 2004 is bij eiseres een onderzoek ingesteld betreffende de heffing van grondwaterbelasting. Het onderzoek heeft betrekking op de periode 1 januari 1999 tot en met 28 juni 2004. 2.7. Eiseres heeft in 2004 een brief van de Belastingdienst [P.] van 13 oktober 2004 voor akkoord getekend en daarmee afstand gedaan van “het recht om in bezwaar of beroep tegen de naheffingsaanslag en de gelijktijdig daarmee vast te stellen beschikkingen (bijvoorbeeld heffingsrente en eventuele boetebeschikkingen) te komen, voor zover het betreft het verstrijken van de wettelijke termijn waarbinnen de aanslag en de beschikkingen kunnen worden vastgesteld, mits deze uiterlijk op 1 mei 2005 zijn vastgesteld”. 2.8. Van het onder 2.6 genoemde onderzoek is met dagtekening 24 februari 2005 een controlerapport opgemaakt. Een afschrift hiervan is per dezelfde datum aan eiseres verzonden. Tegelijkertijd heeft verweerder eiseres een kennisgeving toegestuurd van het voornemen tot het opleggen van een vergrijpboete. Een kopie van deze stukken behoort tot de gedingstukken. 2.9. Bij het voornoemde onderzoek is onder meer geconstateerd dat eiseres een bedrijfsterrein in [M.] bezit waarop zich een viertal bronnen bevinden die gezamenlijk één inrichting in de zin van artikel 3 van de Wet belastingen op milieugrondslag (hierna: Wbm) vormen en die worden gebruikt als winput voor het onttrekken van zoet grondwater aan de bodem als bedoeld in dat artikel. Tevens is bij die controle geconstateerd dat eiseres ten onrechte nooit grondwaterbelasting voor die inrichting heeft aangegeven en/of betaald. In het controlerapport is dienaangaande onder meer het volgende vermeld: “7. Recapitulatie 7.1. Aangifteplicht BSN onttrekt op haar bedrijfsterrein in [M.] zoet grondwater voor het bedrijfsproces. Deze onttrekkingen zijn aan de heffing van grondwaterbelasting onderworpen. Omdat tot het moment van dit onderzoek door BSN nimmer aangifte voor de verschuldigde grondwaterbelasting is gedaan zal over de periode 1 januari 1999 tot 28 juni 2004 een naheffingsaanslag worden opgelegd. (…) 7.2. Naheffingen De volgende bedragen worden nageheven: Jaar in Fl in € 1999 fl. 142.984,42 € 64.883,50 2000 fl. 231.730,36 € 105.154,65 2001 fl. 302.023,94 € 137.052,49 2002 € 86.094,01 2003 € 77.520,62 2004 € 35.943,83 Totaal € 506.649,10 7.3. Standpunt belastingplichtige Belastingplichtige gaat akkoord met de bovenstaande naheffing. (...)” 2.10. In verband met de onttrekkingen van zoet grondwater op het bedrijfsterrein in [M.], is aan eiseres over de periode 1 januari 1999 tot en met 28 juni 2004 een naheffingsaanslag grondwaterbelasting voor een bedrag van € 506.649 opgelegd. Daarbij heeft verweerder aan eiseres een vergrijpboete van 50% (€ 253.324) opgelegd, omdat het volgens verweerder aan de (voorwaardelijke) opzet van eiseres is te wijten dat de belasting niet is betaald . 3. Geschil 3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of verweerder bij de naheffingsaanslag terecht een vergrijpboete van 50% heeft opgelegd. Eiseres beantwoordt deze vraag ontkennend en verweerder bevestigend. 3.2. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en herroeping van de vergrijpboete. 3.3. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. 3.4. Voor de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de gedingstukken. 4. Beoordeling van het geschil 4.1. Ingevolge artikel 4 van de Wbm wordt onder de naam grondwaterbelasting een belasting geheven over het onttrekken van grondwater. De belasting wordt ingevolge artikel 5 van de Wbm geheven van de houder van een inrichting en is ingevolge artikel 7 van de Wbm verschuldigd op het tijdstip van onttrekking. Op grond van artikel 37 van de Wbm moet de in een tijdvak verschuldigd geworden belasting op aangifte worden voldaan. 4.2. De vestiging van eiseres in [M.] is naar de opvatting van partijen, bij welke opvatting de rechtbank zich aansluit, een inrichting in de onder 4.1. bedoelde zin. Derhalve is eiseres houder van een zodanige inrichting. Met deze inrichting heeft zij gedurende het onderhavige tijdvak grondwater onttrokken aan de bodem als bedoeld in artikel 4 van de Wbm. Eiseres heeft de over die onttrekkingen verschuldigde grondwaterbelasting niet aangegeven en/of betaald. Overwegende ambtshalve ten aanzien van het jaar 1999 4.3. Naar volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 19 juni 1985, nr. 22 076, BNB 1986/29, moet het opleggen van een vergrijpboete als de onderhavige worden gezien als het instellen van strafvervolging in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Naar het oordeel van de rechtbank vloeit hieruit voort dat het verstrijken van de termijn waarbinnen een vergrijpboete als de onderhavige kan worden opgelegd, gelijk moet worden gesteld aan het vervallen van het recht tot strafvordering door verjaring als bedoeld in artikel 70 Wetboek van Strafrecht (WvSr). 4.4. Ingevolge artikel 67f, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), vervalt de bevoegdheid tot het opleggen van een vergrijpboete wegens niet (tijdig) betalen van belasting die op aangifte moet worden voldaan of afgedragen door verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan. Met betrekking tot de in 1999 verschuldigd geworden grondwaterbelasting loopt de wettelijke termijn waarbinnen de boetebeschikking kan worden vastgesteld derhalve af op 31 december 2004. Voor zover de aan eiseres opgelegde vergrijpboete betrekking heeft op de in 1999 ontstane belastingschuld geldt derhalve dat ten tijde van het opleggen van de boete op 26 april 2005 de wettelijke bevoegdheid deze op te leggen reeds was vervallen. 4.5. Aan hetgeen onder 4.4. is overwogen doet niet af dat eiseres door ondertekening van de onder 2.7. genoemde brief afstand heeft gedaan van haar recht om zich te beroepen op het verstrijken van de wettelijke termijn waarbinnen de in geschil zijnde vergrijpboete kan worden opgelegd. Aan een dergelijke eenzijdige verklaring van eiseres kan verweerder niet de bevoegdheid ontlenen om in strijd met de wet strafvervolging in te stellen. Nu het opleggen van een vergrijpboete met het instellen van strafvervolging gelijk wordt gesteld, bewerkstelligt de eenzijdige verklaring van eiseres evenmin dat verweerder aan eiseres na het verstrijken van de daarvoor geldende termijn een vergrijpboete kan opleggen. 4.6. Gelet op het onder 4.4. en 4.5. overwogene is de rechtbank van oordeel dat de boetebeschikking voor zover zij betrekking heeft op de in 1999 ontstane belastingschuld dient te worden herroepen, hetgeen neerkomt op een vermindering van de boete van € 32.442 (50% van € 64.883,50). Overwegende ten aanzien van de jaren 2000 tot en met 2004 4.7. Naar verweerder overtuigend heeft gesteld, heeft de belastingdienst voorafgaand aan de invoering daarvan per 1 januari 1995 in den lande kenbaarheid gegeven aan het feit dat per genoemde datum de grondwaterbelasting zou worden ingevoerd. Voorts staat vast dat de belastingdienst, zij het alleen al door de uitreiking van de Opgaaf en de Aangifte, vóór 1 januari 1995 het bestaan van de grondwaterbelasting aan eiseres, althans aan de NV [glasfabrieken], bekend heeft gemaakt. Uit de door [persoon A.] in de hoedanigheid van milieucoördinator van de vestiging van eiseres te [Z.] op de Opgaaf en Aangifte geplaatste aantekeningen omtrent de belastingplicht voor de grondwaterbelasting, blijkt naar het oordeel van de rechtbank ook dat eiseres begin 1995 reeds bekend was met het bestaan van de grondwaterbelasting alsmede de bepalingen omtrent de belastingplicht voor die belasting. 4.8. Aan het onder 4.7. overwogene verbindt de rechtbank de conclusie dat eiseres begin 1995 op de hoogte was, althans redelijkerwijs daarvan op de hoogte had behoren te zijn, van het feit dat zij - in ieder geval voor haar vestiging te [M.] - belastingplichtig was voor de grondwaterbelasting. 4.9. Hetgeen eiseres heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Hierbij overweegt de rechtbank het volgende. Eiseres heeft gesteld dat zij, toen zij voor januari 1995 aangifte deed, meende dat de Opgaaf en de Aangifte slechts betrekking hadden op haar vestiging te [Z.] en niet op die te [M.]. Zij meende dat laatstgenoemde vestiging onder een andere belastingeenheid viel en besefte niet dat de grondwaterbelasting niet was geïntegreerd in de provinciale belastingheffing over de grondwateronttrekkingen. De rechtbank vat deze stelling op als strekkende ten betoge dat eiseres heeft gedwaald omtrent de inhoud en de toepassing van het recht. Rechtsdwaling kan aan verwijtbaarheid - in casu voorwaardelijk opzet - in de weg staan. Dat is het geval wanneer de betrokkene een onjuist inzicht heeft in de ongeoorloofdheid van zijn gedrag. Verontschuldigbare rechtsdwaling veronderstelt voorts het doen van inspanningen om op de hoogte te komen van de inhoud en toepassing van de rechtsregels met betrekking waartoe gedwaald wordt. De rechtsdwaling moet berusten op het advies of het gedrag van een persoon of instantie aan wie of waaraan zodanig gezag valt toe te kennen dat de betrokkene in redelijkheid op de deugdelijkheid van het advies of het gedrag mocht vertrouwen. Uit hetgeen eiseres heeft aangevoerd blijkt niet dat zij vóór het indienen van de Aangifte en/of de Opgaaf op enige wijze contact heeft gezocht met een persoon of instantie die ter zake van de grondwaterbelasting kundig en/of gezaghebbend is. Ook overigens is de rechtbank van een dergelijk initiatief van eiseres niet gebleken. Naar het oordeel van de rechtbank is reeds om die reden geen sprake van een verontschuldigbare rechtsdwaling. 4.10. Dat eiseres nadat de belastingdienst haar in 2003 een vragenbrief heeft gestuurd betreffende haar belastingplicht voor de grondwaterbelasting, de provincie heeft benaderd met vragen over die belasting, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De rechtbank overweegt daarbij dat, nog daargelaten dat de provincie niet de juiste - gezaghebbende - instantie is ter zake van de grondwaterbelasting, dit eerst in 2003, dus ruime tijd na het indienen van de aangifte grondwaterbelasting over januari 1995, heeft plaatsgevonden. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat, voor zover eiseres mocht menen dat haar niet kan worden verweten dat zij niet de belastingdienst maar de provincie heeft benaderd, zij uit de onder 2.4. genoemde brief van de belastingdienst heeft kunnen en moeten afleiden dat wat betreft de grondwaterbelasting de belastingdienst de gezaghebbende instantie was. Eiseres heeft ter zitting nog aangevoerd dat zij naar aanleiding van de voornoemde vragenbrief in 2003 tevens telefonisch contact heeft gehad met een inspecteur van de belastingdienst. Zij heeft echter tevens aangegeven dat zij dit, door verweerder weersproken, feit met geen enkel bewijsmiddel kan staven of anderszins aannemelijk kan maken. Wat er verder van dit feit ook zij, het vormt, nu het contact volgens eiseres pas (meer dan) acht jaar na het indienen van de aangifte voor januari 1995 is gelegd, geen rechtvaardiging voor het niet (tijdig) betalen van de met ingang van 1 januari 1995 verschuldigde grondwaterbelasting. 4.11. Voorts heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat het niet (tijdig) betalen van de grondwaterbelasting te wijten is aan de voorwaardelijke opzet van eiseres. Daarbij overweegt de rechtbank dat uit hetgeen onder 4.7. tot en met 4.10. is overwogen volgt dat eiseres door - in weerwil van hetgeen zij wist of redelijkerwijs behoorde te weten - ervan uit te gaan dat zij geen grondwaterbelasting verschuldigd was voor het onttrekken van grondwater, zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de geenszins bij voorbaat als denkbeeldig te verwaarlozen kans dat zij door haar verschuldigde grondwaterbelasting niet (tijdig) zou voldoen. Overwegende ten aanzien van de ernst van het beboetbare feit 4.12. Hoewel uit het vorenoverwogene volgt dat de boete over het tijdvak januari 2000 – juni 2004 terecht aan eiseres is opgelegd, is de rechtbank van oordeel dat het bedrag van de boete (€ 220.882 (€ 253.324 -/- € 32.442)) over die periode niet in een goede verhouding staat tot de ernst van het beboetbare feit. De rechtbank overweegt hierbij dat het beboetbare feit niet een handelen van eiseres maar een nalaten betreft en neemt tevens in aanmerking dat de belastingdienst naar het oordeel van de rechtbank weinig voortvarend heeft gehandeld in de uitoefening van zijn bevoegdheden ter zake van de grondwaterbelasting. Alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemend acht de rechtbank voor de periode januari 2000 – juni 2004 een boete ten bedrage van € 130.000 passend en geboden. Overwegende ten aanzien van de redelijke termijn 4.13. Na het onder 4.12. overwogene overweegt de rechtbank dat voor de berechting van een zaak in eerste aanleg waarbij een fiscale bestuurlijke boete in geding is als uitgangspunt heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn, als bedoeld in onder meer artikel 6 EVRM, geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege het betrokken bestuursorgaan jegens de belastingplichtige een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Wordt de zaak niet binnen een redelijke termijn berecht, dan behoort dit tot gevolg te hebben dat de boete wordt verminderd. (Vgl. Hoge Raad 22 april 2005, nr. 37 984, BNB 2005/337). 4.14. Op 24 februari 2005 heeft verweerder zijn voornemen om een boete op te leggen aan eiseres bekend gemaakt. De rechtbank gaat ervan uit dat de redelijke termijn op deze datum is aangevangen. Nu de rechtbank op 15 mei 2008, dus drie jaar na genoemde datum, uitspraak doet en van bijzondere omstandigheden die een dergelijk lange duur voor de berechting van de zaak rechtvaardigen, niet is gebleken, moet worden geoordeeld dat de berechting van de zaak niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden. Op grond van de overschrijding van de redelijke termijn dient naar het oordeel van de rechtbank de verhoging te worden gematigd met tien percent. De boete wordt derhalve verder verminderd tot € 117.000 (90% van € 130.000). 4.15. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard. 5.] Proceskosten De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 805 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 161, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1). Voor de overige door eiseres genoemde proceskosten, te weten reis- en verblijfskosten wordt verweerder, eveneens met toepassing van dat besluit, veroordeeld deze te vergoeden tot een bedrag van € 8,50. 6. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de vergrijpboete; - vermindert de vergrijpboete tot € 117.000 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 813,50, en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiseres te voldoen; - gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiseres betaalde griffierecht van € 281 vergoedt. Deze uitspraak is gedaan op 15 mei 2008 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. J.M. Vink, mr. G.J. van Leijenhorst en mr. J.E.M.G. van Wezel in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kwestro, griffier. Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag. Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen: 1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. 2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep.