Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BD3440

Datum uitspraak2008-06-09
Datum gepubliceerd2008-06-10
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Haarlem
Zaaknummers142771/HA RK 08-4
Statusgepubliceerd


Indicatie

Toewijzing wrakingsverzoeken. Gezien de aard van het aan alle verdachten tenlastegelegde groepsdelict van artikel 141 Wetboek van Strafrecht (openlijke geweldpleging) maakt het feit dat de politierechter het collectief beroep op noodweer in de zaken van enkele medeverdachten al - gemotiveerd - heeft verworpen het moeilijk denkbaar dat de politierechter in de zaak tegen verzoekers nog tot een ander oordeel zal kunnen komen bij hetzelfde beroep op noodweer van verzoekers. De rechtbank wijst de verzoeken om wraking toe.


Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM Wrakingskamer zaaknummer: 142771/HA RK 08-4 datum beslissing: 9 juni 2008 Op verzoek van: [Verzoeker] […]; domicilie kiezende te Alkmaar (1812 RB), Robijnstraat 36, ten kantore van raadsman mr. R. Polderman, advocaat te Alkmaar. 1. Procesverloop 1.1 Bij schriftelijk verzoek van 21 januari 2008 (bijlage I) heeft de raadsman namens verzoeker de wraking verzocht van [rechter], hierna te noemen: de politierechter, in de bij deze rechtbank, sector strafrecht, aanhangige zaak met parketnummer 15/710475-07, hierna te noemen: de hoofdzaak. 1.2 De politierechter heeft schriftelijk op het verzoek gereageerd (bijlage II). 1.2.1. Verzoeker, officier van justitie en de rechter zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van 26 mei 2008. Verzoeker is niet verschenen. De raadsman en officier van justitie, mr. R. Hagemeier zijn verschenen. De politierechter heeft van de geboden gelegenheid, met bericht, geen gebruik gemaakt. 2. Ontvankelijkheid 2.1 De officier van justitie heeft ter zitting aangevoerd dat het wrakingverzoek niet voldoet aan de daaraan in artikel 513 Wetboek van Strafvordering gestelde eisen nu de raadsman heeft verwezen naar het verzoek van een andere raadsman. 2.2 De wrakingkamer stelt dat, nu mr. Polderman niet enkel heeft verwezen naar het wrakingverzoek van mr. Ter Brake maar dit verzoek aan zijn verzoek heeft gehecht, voldaan is aan de formele vereisten als gesteld in artikel 513 van het Wetboek van Strafvordering. Het wrakingverzoek is mitsdien ontvankelijk. 3. Beoordeling 3.1 Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert. Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak de bij een partij bestaande vrees voor onpartijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn. Het subjectieve oordeel van die partij is niet doorslaggevend. 3.2 Verzoeker stelt, onder verwijzing naar de inhoud van het verzoekschrift van mr Ter Brake d.d.17 januari 2008, dat hij wegens verdenking van openlijke geweldpleging jegens leden van een antifascistische groep (AFA/Antifa), gepleegd met 16 medeverdachten op 3 februari 2007 te Uitgeest, gedagvaard is om op 16 januari 2008 te verschijnen ter terechtzitting van de politierechter te Haarlem. De behandeling van de strafzaken van verzoeker en 7 medeverdachten is toen ter zitting zijn aangehouden voor onbepaalde tijd in verband met het horen van getuigen door de rechter-commissaris. De behandeling van de overige strafzaken heeft doorgang gevonden en geresulteerd in 6 veroordelingen wegens openlijke geweldpleging. Verzoeker stelt door deze gang van zaken te vrezen te hebben dat de politierechter, die op een latere datum uitspraak in zijn strafzaak zal doen, jegens hem vooringenomen is en stelt dat zijn vrees daarvoor door uitzonderlijke omstandigheden objectief gerechtvaardigd is. Alle 17 aangehouden verdachten, dus ook die thans inmiddels veroordeeld zijn, hebben bij de politie een vrijwel gelijkluidend beroep op noodweer gedaan, stellende dat de AFA-groep hen aanviel en dat zij zich daartegen ongewapend hebben verdedigd. Blijkens de 6 gewezen vonnissen heeft de politierechter dit ook door verzoeker nog te voeren verweer verworpen waardoor de politierechter zich omtrent dit verweer een oordeel heeft gevormd dat zal ertoe zal leiden dat dit verweer ook in de strafzaak van verzoeker zal worden verworpen. Dit kan tot geen andere conclusie leiden dat op zijn minst de schijn van partijdigheid is gewekt en dat de politierechter om die reden moet worden gewraakt. 3.3 De politierechter bevestigt in zijn schriftelijke reactie van 10 april 2008 dat op de zitting van 16 januari 2008 door hem acht vonnissen zijn uitgesproken, waarvan zeven veroordelende vonnissen (waaronder drie minderjarigen) en één vrijspraak. In de zaken van de meerderjarige medeverdachten van verzoekers is het gedane beroep op noodweer inderdaad verworpen. De stelling dat een rechter vooringenomen is door het enkele feit dat hij reeds een medeverdachte heeft veroordeeld is volgens de politierechter in bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad afgewezen (HR 6 mei 1997, NJ 1998, 186). Ook internationale jurisprudentie biedt hiervoor geen aanknopingspunten. De politierechter is van mening dat de wrakingsverzoeken dienen te worden afgewezen. 3.4 De wrakingskamer maakt uit het verhandelde ter zitting op dat alle aangehouden verdachten menen dat zij zich niet konden onttrekken aan het geweld van een in getal veel omvangrijkere groep – bewapende – links-extremisten. Zij stellen dat zij hebben gehandeld ter noodzakelijke verdediging van zichzelf en van anderen en hebben op grond hiervan ter zitting een beroep gedaan op noodweer Dit beroep op noodweer is door de politierechter verworpen met een uitvoerige motivering, samengevat luidende dat niet bedoelde links-extremisten maar de verdachten als groep een georganiseerde aanval hebben ingezet en dat zij als eersten overgegaan zijn tot het uitoefenen van geweld. Hun situatie betreft, aldus het vonnis, daardoor geen noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding , zodat het beroep van verdachten op noodweer volgens de politierechter geen doel treft. 3.5 De vraag is nu of de door verzoekers geuite vrees dat de politierechter de aangehouden zaken van verzoekers nog zonder vooringenomenheid kan behandelen terecht is. De enkele omstandigheid dat de politierechter in de zaken tegen de medeverdachten heeft geoordeeld dat verzoekers, die deel uitmaakten van dezelfde groep, daarbij betrokken waren levert op zich zelf geen grond tot wraking op. Dit algemeen aanvaarde uitgangspunt lijdt evenwel uitzondering wanneer sprake is van bijkomende omstandigheden die een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid aannemelijk maken. De wrakingskamer stelt in het licht van het vorenstaande voorop dat de politierechter formeel gesproken niet gebonden is aan de uitspraken van de medeverdachten in dezelfde zaak. In het onderhavige geval is er echter sprake van een collectief beroep op noodweer. Gezien de aard van het aan alle verdachten tenlastegelegde groepsdelict van artikel 141 Wetboek van Strafrecht (openlijke geweldpleging) maakt het feit dat de politierechter het collectief beroep op noodweer in de zaken van enkele medeverdachten al - gemotiveerd - heeft verworpen het moeilijk denkbaar dat de politierechter in de zaak tegen verzoekers nog tot een ander oordeel zal kunnen komen bij hetzelfde beroep op noodweer van verzoekers. Er zijn geen feiten en omstandigheden gebleken die erop wijzen dat de positie van verzoekers in belangrijke mate afwijkt van die van de al veroordeelde medeverdachten. Daaraan doet niet af dat de zaak van verzoekers in tegenstelling tot die van de medeverdachten is aangehouden voor nader onderzoek. De politierechter heeft onder de geschetste omstandigheden dan ook de objectief gerechtvaardigde schijn tegen dat hij niet meer onbevangen een beroep op noodweer in de zaken van verzoekers kan beoordelen. 3.6 De aangevoerde feiten en omstandigheden leveren derhalve een grond voor wraking, zodat de rechtbank het verzoek zal toewijzen. 4. Beslissing De rechtbank: 4.1 wijst het verzoek om wraking toe; 4.2 beveelt de griffier onverwijld aan verzoeker, de politierechter en de officier van justitie een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden; 4.3 bepaalt dat de hoofdzaak verder zal worden behandeld door een andere politierechter en beveelt dat het onderzoek ter zitting opnieuw wordt aangevangen op een nader te bepalen tijdstip. Deze beslissing is gegeven door mr. A.J. van der Meer, voorzitter, en mrs. A.E. Patijn en G.W.S. de Groot, leden van de wrakingskamer, en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2008 in tegenwoordigheid van mrs. E. Boes en I. Hermans als griffier. Rechtsmiddel Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.