Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BD3910

Datum uitspraak2008-06-06
Datum gepubliceerd2008-06-13
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200803818/2
Statusgepubliceerd


Indicatie

Voorlopige voorziening / spoedeisend belang bij uitzetting / uitzetcentrum
Het verzoek is er op gericht te voorkomen dat de vreemdeling wordt uitgezet gedurende de behandeling van het ingestelde hoger beroep. Dat het besluit van 30 april 2008 voor uitvoering vatbaar is en de vreemdeling met het oog op diens uitzetting in een uitzetcentrum is geplaatst, is onvoldoende om een spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht aan te nemen. Bij dit oordeel is betrokken dat de plaatsing van de vreemdeling in het uitzetcentrum onverlet laat dat op dit moment geen sprake is van concrete aanwijzingen op welke termijn uitzetting zal plaatsvinden.


Uitspraak

200803818/2. Datum uitspraak: 6 juni 2008 RAAD VAN STATE AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van: [verzoeker], verzoeker, tegen de uitspraak in zaak nrs. 08/15669 en 08/15670 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 20 mei 2008 in het geding tussen: [verzoeker] en de staatssecretaris van Justitie. 1. Procesverloop Bij besluit van 30 april 2008 heeft de staatssecretaris van Justitie een aanvraag van [verzoeker] (hierna: de vreemdeling) om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Bij uitspraak van 20 mei 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 26 mei 2008, hoger beroep ingesteld. Voorts heeft de vreemdeling de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. 2. Overwegingen 2.1. Het verzoek is er op gericht te voorkomen dat de vreemdeling wordt uitgezet gedurende de behandeling van het ingestelde hoger beroep. Dat het besluit van 30 april 2008 voor uitvoering vatbaar is en de vreemdeling met het oog op diens uitzetting in een uitzetcentrum is geplaatst, is onvoldoende om een spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht aan te nemen. Bij dit oordeel is betrokken dat de plaatsing van de vreemdeling in het uitzetcentrum onverlet laat dat op dit moment geen sprake is van concrete aanwijzingen op welke termijn uitzetting zal plaatsvinden. 2.2. Het verzoek zal reeds daarom als kennelijk ongegrond worden afgewezen. 2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Vreken, ambtenaar van Staat. w.g. Lubberdink voorzitter w.g. Vreken ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2008 434-563. Verzonden: 6 juni 2008 Voor eensluidend afschrift, de secretaris van de Raad van State, voor deze, mr. H.H.C. Visser, directeur Bestuursrechtspraak