Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BD4282

Datum uitspraak2008-06-17
Datum gepubliceerd2008-06-17
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Dordrecht
Zaaknummers11/500693-07
Statusgepubliceerd


Indicatie

De verklaringen van de celgenoten op de detentieboot kunnen niet als getuigenverklaring voor het bewijs worden gebruikt, nu de rechtbank deze verklaringen niet betrouwbaar acht, omdat zij op essentiële onderdelen tegenstrijdig zijn. Dat leidt tot vrijspraak.


Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT MEERVOUDIGE STRAFKAMER Parketnummer : 11/500693-07 Zittingsdatum : 3 juni 2008 Uitspraak : 17 juni 2008 STRAFVONNIS De rechtbank Dordrecht heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting vonnis gewezen in de zaak tegen: [verdachte], geboren in 1978, zonder vaste woon- en/of verblijfplaats. De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht. 1. De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 17 december 2007 te Dordrecht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in een cel (I cel 13) op de detentieboot (gelegen aan de Kerkeplaat 23), immers heeft/hebben verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s), toen aldaar opzettelijk een brandende sigaret en/of een brandende aansteker en/of (één of meer) brandende lucifer(s), in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met één of meer laken(s) en/of één of meer matras(sen) en/of een stapelbed, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan dat/die laken(s) en/of dat/ die matras(sen) en/of een stapelbed geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor voornoemd(e) goed(eren) (behorend tot de inventaris van die detentieboot) en/of die detentieboot, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de (overige) in voornoemde cel aannwezige personen en/of voor de (overige) personen die op die detentieboot aanwezig waren, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was; 2. De voorvragen 2.1 De geldigheid van de dagvaarding Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is. 2.2 De bevoegdheid van de rechtbank Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde ken-nis te nemen. 2.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten en/of omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. 2.4 De schorsing van de vervolging Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken. 3. Het onderzoek ter terechtzitting 3.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft -het ten laste gelegde bewezen achtend- gevorderd overeen-komstig de als bijlage 2 aan dit vonnis gehechte vordering ter terechtzitting. 3.2 De verdediging De raadsman heeft een bewijsverweer gevoerd en vrijspraak bepleit, zoals verwoord in de als bijlage 3 aangehechte pleitnota. 4. De bewijsbeslissingen Vrijspraak De rechtbank is van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem ten laste is gelegd. De rechtbank heeft hiertoe als volgt overwogen. De rechtbank vindt de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] dusdanig te-genstrijdig met elkaar op essentiële onderdelen dat zij deze niet betrouwbaar acht en aldus niet bruikbaar voor het bewijs. In het proces-verbaal van politie Zuid-Holland Zuid (PL1810/07-142532, pagina 58) d.d. 30 december 2007 verklaart. [getuige 2]: “Ik lag op bed met mijn hoofd tegen de raam-zijde. Vanuit mijn bed had ik dus zicht op het andere stapelbed. Ik zag dat het laken van het bovenste bed bij het voeteneinde in brand stond. Ik zag duidelijk de vlammen. Aan het hoofdeinde van dit stapelbed zag ik de man met de korte rasta’s staan. Ik zag dat hij een sigaret stond te roken. Ik zag namelijk dat hij een brandende sigaret in zijn linkerhand hield. Verder zag ik dat hij in zijn rechterhand een witte aansteker hield.” In voornoemd proces-verbaal verklaart [getuige 1] op pagina 62: “We waren met ons drieën in de cel. Op een gegeven moment stond ik bij het raam. [getuige 2] zat bij de tafel in het woongedeelte. Ik hoorde toen knetteren. Het klonk alsof je vuurwerk af steekt. Ik keek om, de slaapkamer in. Ik zag dat er oranje licht was. Ik zag dat er vlammen waren in alle vier de hoeken van mijn stapelbed. Bron zei dat hij dat had gedaan.” Nu er voorts geen andere bewijsmiddelen voorhanden zijn, moet verdachte worden vrijgesproken. Het verweer van de raadsman, zoals vermeld onder 3.2 van dit vonnis, behoeft zodoende geen bespreking meer. 4. De beslissing De rechtbank: verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte ten laste is gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij. Dit vonnis is gewezen door: Mr. H. Harmsen, voorzitter, Mr. S.H. Gaertman en mr. D. Bogaert, rechters, in tegenwoordigheid van A. Gaal, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 juni 2008.