
Jurisprudentie
BD5268
Datum uitspraak2008-06-20
Datum gepubliceerd2008-06-24
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/6394 WAO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-06-24
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/6394 WAO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Geen procesbelang meer. Nabetaling met wettelijke rwente.
Uitspraak
06/6394 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 28 september 2006, 06/554 (de aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 20 juni 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. N. Tali, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingezonden, waaronder een besluit van 17 december 2007.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 mei 2008. Partijen zijn niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. Het inleidende beroep is gericht tegen het besluit van 9 maart 2006 ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Hierbij heeft het Uwv gehandhaafd zijn besluit van 28 juli 2005 tot de schorsing van de betaling van de aan appellante toegekende WAO-uitkering met ingang van 1 augustus 2005.
2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
3.1 Voor de beoordeling door de Raad zijn de volgende, door partijen niet bestreden, feiten van belang.
3.2 Het Uwv heeft de betaling van de WAO-uitkering van appellante met ingang van
1 augustus 2005 geschorst, omdat zij zonder goede reden niet had voldaan aan de oproep om op het spreekuur van de verzekeringsarts te verschijnen. Op 7 februari 2007 heeft alsnog verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden. Dit heeft geleid tot de hervatting van de betaling van de uitkering met ingang van 1 augustus 2005. Bij besluit van 17 december 2007 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante ingaande 11 oktober 2004 verhoogd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. In dit besluit is tevens aangegeven dat het Uwv de wettelijke rente aan appellante zal vergoeden.
4.1 De Raad overweegt ambtshalve het volgende.
4.2 De betaling van de WAO-uitkering aan appellante is hervat met ingang van
1 augustus 2005. Het Uwv heeft aangekondigd de wettelijke rente te vergoeden. Appellante heeft niet gesteld, noch is anderszins aannemelijk dat zij andere voor vergoeding in aanmerking komende schade heeft geleden, zodat haar procesbelang is vervallen. Het hoger beroep moet daarom niet ontvankelijk worden verklaard.
4.3 De Raad ziet aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Deze bedragen wegens de aan appelante verleende rechtsbijstand € 322,- voor de procedure bij de rechtbank en ook € 322,- voor het hoger beroep, samen € 644,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de kosten van het geding ad € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het door haar betaalde griffierecht tot een bedrag van € 143,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en
J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.W.A. Schimmel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2008.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) M.W.A. Schimmel.
TM