
Jurisprudentie
BD5346
Datum uitspraak2008-06-17
Datum gepubliceerd2008-06-25
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200801865/2
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter
Datum gepubliceerd2008-06-25
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200801865/2
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter
Indicatie
Bij besluit van 12 februari 2008, nr. 2008INT217494, heeft het college van gedeputeerde staten van Utrecht (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Lopik (hierna: de raad) bij besluit van 12 juni 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Landelijk Gebied".
Uitspraak
200801865/2.
Datum uitspraak: 17 juni 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:
1. [verzoekster sub 1], gevestigd te [plaats], en de vennoten [vennoot A] en [vennoot B], wonend te [woonplaats],
2. [verzoekster sub 2A], gevestigd te [plaats], en [verzoeker sub 2B], wonend te [woonplaats],
en
het college van gedeputeerde staten van Utrecht,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 12 februari 2008, nr. 2008INT217494, heeft het college van gedeputeerde staten van Utrecht (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Lopik (hierna: de raad) bij besluit van 12 juni 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Landelijk Gebied".
Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoekster sub 1], [vennoot A] en [vennoot B] en [verzoekster sub 2A] en [verzoeker sub 2B] bij brieven, bij de Raad van State ingekomen op 1 april 2008, beroep ingesteld.
Bij brieven, bij de Raad van State ingekomen op 1 april 2008, hebben zij de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 12 juni 2008, waar [verzoekster sub 1], [vennoot A] en [vennoot B] en [verzoekster sub 2A en [verzoeker sub 2B], allen bijgestaan door mr. H.A. Meindersma, werkzaam bij SCT Juridisch Adviesbureau B.V., en het college, vertegenwoordigd door W.J. de Vries, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de raad, vertegenwoordigd door R.C. Gerritsen, ambtenaar in dienst van de gemeente.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Op het perceel [locatie 1] is [verzoekster sub 1] gevestigd. Op het perceel [locatie 2] is [verzoekster sub 2A] gevestigd. In het plan is aan deze percelen de bestemming "Woondoeleinden (W)" toegekend, op grond waarvan hun bestaande bedrijfsactiviteiten ter plaatse niet zijn toegelaten. De verzoeken strekken ertoe dat het bestaande gebruik voor de transportbedrijven wordt toegelaten, terwijl het plan niet in die mogelijkheid voorziet.
2.3. Ter zitting is door het college en de raad aangevoerd dat in het vorige plan voor het perceel [locatie 1] een bestemming voor woondoeleinden was opgenomen en dat aan een deel van het perceel [locatie 2] een bestemming voor een agrarisch nevenbedrijf was toegekend, hetgeen niet is bestreden. Voorts is niet in geschil dat de bestaande bedrijfsactiviteiten ook in strijd zijn met het vorige plan. Gelet hierop zijn [verzoekster sub 1], [vennoot A] en [vennoot B] en [verzoekster sub 2A] en [verzoeker sub 2B] niet gebaat bij schorsing van het goedkeuringsbesluit, aangezien daarmee het gewenste gebruik niet mogelijk wordt. Een voorlopige voorziening die dat mogelijk maakt is te verstrekkend, aangezien het scheppen van die mogelijkheid niet met een uitspraak van de Afdeling kan worden bewerkstelligd. Die uitspraak zou kunnen strekken tot onthouding van goedkeuring aan de plandelen betreffende de in geding zijnde percelen, doch daarmee zou het gewenste gebruik nog niet mogelijk zijn.
Bovendien is ter zitting vanwege het gemeentebestuur verklaard dat, nu met de transportbedrijven de mogelijkheden van verplaatsing worden bezien, vooralsnog niet handhavend wordt opgetreden tegen het bestaande gebruik op de in geding zijnde percelen.
2.4. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat de verzoeken worden afgewezen.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst de verzoeken af.
Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H.J.C. van Geel, ambtenaar van Staat.
w.g. Hoekstra w.g. Van Geel
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2008
516.