
Jurisprudentie
BD5364
Datum uitspraak2008-06-19
Datum gepubliceerd2008-06-25
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200802785/2
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter
Datum gepubliceerd2008-06-25
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200802785/2
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter
Indicatie
Bij besluit van 29 februari 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) aan Suiker Unie Dinteloord (hierna: vergunninghoudster) een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een inrichting aan de Noordzeedijk 113 te Dinteloord. Dit besluit is op 10 maart 2008 ter inzage gelegd.
Uitspraak
200802785/2.
Datum uitspraak: 19 juni 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoekers], wonend te [woonplaats],
en
het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 29 februari 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) aan Suiker Unie Dinteloord (hierna: vergunninghoudster) een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een inrichting aan de Noordzeedijk 113 te Dinteloord. Dit besluit is op 10 maart 2008 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit hebben [verzoekers] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 april 2008, beroep ingesteld.
Bij afzonderlijke brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 april 2008, hebben zij de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 7 juni 2008, waar [verzoekers], bijgestaan door ing. J.B.M. Lauwerijssen, en het college, vertegenwoordigd door R.M. de Groot, werkzaam bij de provincie, bijgestaan door ing. O. de Jong, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. C.G.J.M. Termaat, advocaat te Rosmalen, en door A.P.M. Backx, als belanghebbende gehoord.
2. Overwegingen
2.1. De bij het bestreden besluit vergunde verandering betreft de bouw van een vergistingsinstallatie.
2.2. Het college en vergunninghoudster stellen zich op het standpunt dat geen spoedeisend belang bestaat bij het treffen van een voorlopige voorziening. Daarbij wijzen zij op de toezegging van vergunninghoudster dat in beginsel niet eerder dan medio 2009 met de bouw van de vergistingsinstallatie wordt begonnen.
2.3. [verzoekers] stellen belang te hebben bij een inhoudelijk oordeel van de voorzitter over de zaak. Dit belang is volgens hen daarin gelegen dat met dit oordeel rekening kan worden gehouden bij de nog te nemen beslissing over verlening van de bouwvergunning voor de vergistingsinstallatie, welke beslissing op grond van artikel 52 van de Woningwet wordt aangehouden totdat door de voorzitter op het huidige verzoek om voorlopige voorziening is beslist.
2.4. Dat met een inhoudelijk oordeel van de voorzitter over de zaak rekening zou kunnen worden gehouden bij de nog te nemen beslissing over verlening van de bouwvergunning maakt op zichzelf niet dat spoedeisend belang bestaat bij het treffen van een voorlopige voorziening in de huidige procedure. Gezien de toezegging van vergunninghoudster, die zij ter zitting heeft herhaald, acht de voorzitter aannemelijk dat vóór de aanvang van de bouw van de vergistingsinstallatie door de Afdeling uitspraak is gedaan op het door [verzoekers] tegen het bestreden besluit ingestelde beroep. Gelet hierop bestaat naar het oordeel van de voorzitter geen spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening hangende de behandeling van dit beroep. Indien met de bouw van de vergistingsinstallatie toch wordt aangevangen voordat door de Afdeling uitspraak is gedaan op het beroep van [verzoekers], bestaat voor hen de mogelijkheid om een nieuw verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening te doen.
2.5. Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, ambtenaar van Staat.
w.g. Brink w.g. Van Grinsven
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2008
462.