Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BD5409

Datum uitspraak2008-06-18
Datum gepubliceerd2008-06-25
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummers288476 / HA ZA 07-1728
Statusgepubliceerd


Indicatie

Executiegeschil over handelsrechtelijk deel van een vonnis.


Uitspraak

VONNIS RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 288476 / HA ZA 07-1728 Vonnis van 18 juni 2008 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [X]-BOUW B.V., gevestigd te [P], eiseres, procureur mr. E. de Jongh, tegen [RX], wonende te [P], gedaagde, procureur mr. P.S.M. van den Enden. Partijen zullen worden aangeduid als “[X]-Bouw” respectievelijk “[R]”. 1. De procedure 1.1. Bij exploot van 15 mei 2007 heeft [X]-Bouw [R] gedagvaard om op 6 juni 2007 ter openbare terechtzitting van de rechtbank ‘s-Gravenhage te verschijnen. [X]-Bouw heeft haar dagvaarding vergezeld doen gaan van vijftien producties. [R] heeft een conclusie van antwoord overgelegd met daarbij negen producties. 1.2. Bij tussenvonnis van 29 augustus 2007 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast. De comparitie van partijen heeft op 13 november 2007 plaatsgevonden. Bij gelegenheid van deze comparitie hebben partijen gespecificeerde opgaven van hun proceskosten overgelegd. De genoemde stukken alsmede het procesverbaal van de comparitie van partijen behoren tot het procesdossier. 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De feiten 2.1. [X]-Bouw is actief in de bouwbranche. De vader van [R] (hierna te noemen: “[X]”) is statutair directeur en enig aandeelhouder van [X]-Bouw. [R] was oorspronkelijk werkzaam bij zijn vader in [X]-Bouw. Nadat zij uiteen zijn gegaan is [R] als zelfstandige zonder per- soneel voor zichzelf begonnen onder de naam [Y] Bouw. Zowel [R] als [X] is werkzaam in de bouwbranche. 2.2. Het uiteengaan heeft tot een procedure tussen vader en zoon geleid. Op 23 november 2006 heeft de kantonrechter vonnis gewezen in de zaak tussen [X]- Bouw als eiseres en [R] als gedaagde. In deze procedure waren tal van kwesties aan de orde, waaronder de vraag of [R] de handelsnaam [Y] Bouw mocht gebruiken naast het (oudere) gebruik van de handelsnaam [X]- Bouw. De kantonrechter heeft het gebruik door [R] van de naam [Y] Bouw als inbreuk op het handelsnaamrecht van [X]-Bouw gekwalificeerd en te dien aanzien een verbod tot het gebruik van de handelsnaam [Y] Bouw opgelegd. De kantonrechter heeft met betrekking tot het verbod als volgt beslist. 2. verbiedt gedaagde het gebruik van de handelsnaam [Y] Bouw respectievelijk een logo waarin die is verwerkt, ingaande een maand na betekening van dit vonnis en op straffe van een dwangsom van € 1.000,- voor elke dag, een gedeelte daarvan voor een hele gerekend gedurende welke gedaagde nalatig blijft hieraan te voldoen, met dien verstande dat geen dwangsom wordt verbeurd boven € 250.000,-. 2.3. De kantonrechter heeft daartoe het volgende overwogen. 5. Resteert de door [R] gebruikte handelsnaam en het logo op zijn briefpapier. Onvoldoende aanleiding wordt gezien terug te komen op het eerder dienaangaande overwogenene. Toewijsbaar is een verbod aan [R] om te gebruiken naam of afkorting van “[X]-Bouw” respectievelijk een logo waarin een en ander is verwerkt. [R] zal een maand de tijd worden gegund om zijn briefpapier aan te passen. Overigens zal aan de dwangsom een maximum worden verbonden. De toewijzing van dit deel van de conventionele vordering zal echter niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Tenslotte wordt vanwege de familierelatie tussen de directeur/grootaandeelhouder van [X] en [R] alle aanleiding gezien de proceskosten te laten voor rekening van de partij die ze maakte. 2.4. Het vonnis van 23 november 2006 is op 28 november 2006 aan [R] betekend. 2.5. [R] heeft in het vonnis van de kantonrechter berust. Hij heeft conform het vonnis betalingen gedaan en zaken afgegeven en voorts binnen de gestelde termijn zijn briefpapier aangepast en zijn handelsnaam in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel Haaglanden per 19 december 2007 gewijzigd in [Z] Bouw. Op 27 december 2006 heeft [R] telefonisch contact gehad met zijn webhost Hostway met het verzoek de website met domeinnaam [Y].nl te beëindigen. Hostway heeft op 27 december 2006 aan [R] een e-mail gestuurd met de mededeling dat ter effectuering van deze opzegging een formulier moet worden gedownload en per fax dan wel per post aan Hostway moet worden gestuurd. [R] heeft dit formulier nog dezelfde dag ingevuld en per fax aan Hostway gezonden. Op dit formulier heeft [R] aangegeven de website met domeinnaam [Y].nl per 27 december 2007 te willen opheffen. 2.6. [R] heeft tot en met 19 januari 2007 een website met domeinnaam [Y].nl in de lucht gehad. De website omvatte een vermelding van de handelsnaam [Y] Bouw, het daarbij behorende logo en de adresgegevens van [R]. De deurwaarder heeft een proces-verbaal van constatering en een bevel tot betaling van de verbeurde dwangsommen ten bedrage van € 21.000,- aan [R] betekend. Op 19 januari 2007 is de website uit de lucht gehaald. 2.7. [R] heeft (mede) naar aanleiding van de gevorderde dwangsommen een kort geding aanhangig gemaakt. De voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage heeft onder meer het volgende overwogen: 4.4. Zodoende moet worden beoordeeld of [R] in ernst kon betwijfelen, mede gelet op de gronden waarop het verbod werd gegeven, dat zijn opzegging aan zijn provider Hostway voor afloop van de termijn van één maand als vervat in het verbod, een overtreding van het verbod zou opleveren. Bij dit een en ander zal er met partijen vanuit worden gegaan dat het voeren van de domeinnaam www.[Y].nl als zodanig inderdaad gebruik als handelsnaam vormt. Anders gezegd,de in dit executiegeschil te beantwoorden vraag is of [R] ervan uit mocht gaan dat wat hij had gedaan om de website te beëindigen voldoende nakoming van het verbod opleverde. De voorzieningenrechter acht dat het geval, waarbij de volgende omstandigheden in aanmerking zijn genomen. 3. Het geschil 3.1. [X]-Bouw vordert – zakelijk weergegeven – de veroordeling van [R] tot betaling van € 22.889,02 (€ 21.000 plus kosten) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 januari 2007 alsmede de veroordeling van [R] in de proceskosten. Ter comparitie heeft [X]-Bouw aangegeven dat de vordering betrekking heeft op de volledige proceskosten ex artikel 1019h Rv. 3.2. [R] voert verweer en vordert ter comparitie de veroordeling van [X]- Bouw in de volledige proceskosten ex artikel 1019h Rv. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4. De beoordeling 4.1. In een executiegeschil als het onderhavige, waarbij het erom gaat of dwangsommen zijn verbeurd omdat een verbod niet of onvoldoende is nageleefd, heeft de rechter niet tot taak de door de kantonrechter bij vonnis van 23 november 2006 besliste rechtsverhouding zelfstandig opnieuw te beoordelen, maar dient hij zich ertoe te beperken de ter uitvoering van het veroordelend vonnis verrichte handelingen te toetsen aan de inhoud van de veroordeling zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Bij deze uitleg dient het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te worden genomen in dier voege dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel. Verder is het de rechter vrij bij deze uitleg maatstaven van redelijkheid en billijkheid te hanteren. 4.2. Het verbod is door de kantonrechter in algemene termen geformuleerd. Met betrekking tot de afbakening van de reikwijdte van zo een in algemene termen vervat verbod geldt dat de draagwijdte van zo een verbod niet beperkt behoeft te zijn tot de herhaling van de handelingen die aanleiding vormden voor de eerdere procedure (i.e. de procedure voor de kantonrechter), maar zich ook kan uitstrekken tot toekomstige handelingen, met dien verstande evenwel dat voor zover het betreft toekomstige handelingen, als maatstaf heeft te gelden dat de draagwijdte van het verbod beperkt is te achten tot handelingen waarvan in ernst niet kan worden betwijfeld dat zij, mede op gronden waarop het verbod is gegeven, inbreuken als door de rechter verboden opleveren. 4.3. De rechtbank merkt op dat het geschil tussen partijen niet primair is gelegen in de afbakening van de reikwijdte van het veroordelend vonnis. Gelet op de handelwijze van [R] bestaande uit het op 27 december 2006 versturen van een opheffingsformulier aan Hostway, moet worden aangenomen dat ook [R] heeft begrepen dat het vonnis mede betrekking heeft op het voeren van de handelsnaam [Y] Bouw door middel van de website met domeinnaam [Y].nl. Het geschil tussen partijen is veeleer gelegen in de vraag of dwangsommen zijn verbeurd omdat het verbod niet of onvoldoende is nageleefd. 4.4. [X]-Bouw stelt met betrekking tot de uitvoering van het veroordelend vonnis dat [R] niet tijdig actie heeft ondernomen om aan het vonnis van 23 november 2006 te voldoen door één dag voor het verstrijken van de gestelde termijn het formulier voor opheffing van de domeinnaam aan Hostway te zenden en dat [R] had moeten begrijpen dat een domeinnaam niet per direct kan worden opgeheven en dat hij de website op zwart had kunnen zetten. 4.5. [R] stelt bij wijze van verweer dat de website zijns inziens per direct zou kunnen worden opgezegd en dat hij geen wetenschap behoefde te hebben van de termijnen voor het opheffen van de website noch van het op zwart zetten hiervan. [R] heeft als verweer daarenboven de motivering van de voorzieningenrechter tot de zijne gemaakt. 4.6. Krachtens het bepaalde in artikel 6:2 BW zijn schuldeiser en schuldenaar verplicht zich jegens elkander te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid. Dit brengt met zich mee dat een crediteur een veroordelend vonnis niet ten uitvoer mag leggen, voor zover dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, hetgeen met name het geval is indien de veroordeelde zich zo zeer heeft ingespannen dat het onredelijk zou zijn meer inspanning en zorgvuldigheid te vergen dan de veroordeelde heeft betracht. 4.7. De rechtbank stelt voorop dat [R] aan het veroordelend vonnis van de kantonrechter nagenoeg volledig uitvoering gegeven door binnen de gestelde termijn aanzienlijke betalingen te doen, zaken af te geven, het briefpapier aan te passen en de handelsnaam in het handelsregister te wijzigen. Hij heeft voorts binnen de termijn de noodzakelijke actie ondernomen ter opheffing van de website met domeinnaam [Y].nl. De ingevorderde dwangsommen zien dan ook op de niet tijdige effectuering door de provider van deze opzegging. 4.8. In redelijkheid kan de niet tijdige effectuering niet aan [R] worden toegerekend. Het gaat hier enerzijds om een omstandigheid die buiten zijn macht ligt. Anderzijds heeft [X]-Bouw niet inzichtelijk gemaakt dat [R] de wetenschap had dat de provider geruime tijd nodig zou hebben voor opheffing van de website en dat [R] daar op had moeten inspelen door ruim voor de afloop van de termijn de opheffing te verzoeken. Wat [X] hierover aanvoert is allemaal met the benefit of hindsight. Niet aannemelijk is geworden dat in de procedure bij de kantonrechter door één van partijen aan het bestaan van de website is gedacht. Het vonnis van de kantonrechter leert dat dit ook niet onder de aandacht van de kantonrechter is gekomen. Ook na de betekening heeft [X]-Bouw geen aanleiding gezien de aandacht te vestigen op de tijdige opheffing van de site. Kennelijk kwam een en ander pas voor het eerst onder haar aandacht op 6 januari 2007, op welke datum voor het eerst werd vastgesteld dat de site nog in de lucht was. Voor haar was het belang van onmiddellijke beëindiging kennelijk niet zo groot dat zij de noodzaak zag [R] hiervan te verwittigen. Zij heeft het bedrag van (in haar ogen) verbeurde dwangsommen laten oplopen tot 19 januari 2007. [X]- Bouw heeft geen enkele handeling harerzijds gesteld waaruit zou kunnen blijken dat opheffing van de website haar ernst was. Het zakelijk belang van de website voor [X]-Bouw en voor [R] is ook als zeer gering aan te merken. Dat de website op enigerlei wijze opdrachten aandroeg aan [R], laat staan opdrachtgevers aftrok van [X]-Bouw is niet gebleken. Ook in dat licht dient het belang van [X]-Bouw als gering te worden aangemerkt. 4.9. Naar het oordeel van de rechtbank betreft de niet-tijdige effectuering van het opheffen van de website dan ook een zeer ondergeschikt verzuim dat onder de beschreven omstandigheden het verbeuren van dwangsommen niet kan rechtvaardigen. 4.10. De rechtbank zal de vorderingen van [X]-Bouw afwijzen en [X]-Bouw als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordelen. Omdat deze zaak de executie van het handelsnaamrechtelijk deel van een vonnis betreft zijn de proceskosten te bepalen aan de hand van artikel 1019h Rv. Partijen hebben over en weer gespecificeerde opgaven van de proceskosten overgelegd. [R] vordert het bedrag van € 14.379,60. De rechtbank merkt op dat dit een bedrag inclusief BTW is en dat de gemaakte kosten mede zien op de procedure bij de kantonrechter en in het executie kort geding. In die zaken is reeds op de proceskosten beslist. De rechtbank zal daarom alleen de kosten gemaakt na betekening van de dagvaarding in deze zaak voor vergoeding in aanmerking nemen. Omdat partijen ondernemers zijn komen slechts bedragen exclusief BTW voor vergoeding in aanmerking. [X] zal daarom worden veroordeeld tot betaling van het bedrag van € 2.499,88. 5. De beslissing De rechtbank: 5.1. wijst de vorderingen af; 5.2. veroordeelt [X]-Bouw in de kosten van de procedure, aan de zijde van [R] tot op heden begroot op € 2.449,88. Dit vonnis is gewezen door mr. Chr.A.J.F.M. Hensen en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2008 in aanwezigheid van de griffier mr. R.J. van Doornmalen.