Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BD5979

Datum uitspraak2004-08-02
Datum gepubliceerd2008-07-02
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Haarlem
Zaaknummers15/001128-04
Statusgepubliceerd


Indicatie

Medeplegen invoer cocaïne. Aangezien de rechtbank het aannemelijk acht dat de verdeling van de hoeveelheid cocaïne over de rolkoffers van verdachte en zijn medeverdachte willekeurig is en zonder medewerking van hen heeft plaatsgevonden en verdachte bij de bepaling van de strafmaat in beginsel verantwoordelijk wordt gehouden voor de hoeveelheid welke hij zelf in zijn rolkoffer Nederland heeft binnengebracht, houdt de rechtbank bij het vaststellen van de strafmaat in het onderhavige geval rekening met de helft van het gewicht van de in totaal aangetroffen hoeveelheid cocaïne, te weten ongeveer 4.302 gram.


Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM VESTIGING SCHIPHOL SECTOR STRAFRECHT MEERVOUDIGE STRAFKAMER Parketnummer: 15/001128-04 Uitspraakdatum: 2 augustus 2004 Tegenspraak VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv) Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 19 juli 2004 in de zaak tegen: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats] (Verenigde Staten van Amerika), wonende te [woonplaats], thans gedetineerd in Detentiecentrum Roermond, te Roermond. 1. Tenlastelegging Aan verdachte is tenlastegelegd dat hij op of omstreeks 22 april 2004 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1, lid 4 van de Opiumwet, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. 2. Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 3. Bewijs De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan in dier voege dat hij op 22 april 2004 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I. Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging. Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. 4. Strafbaarheid van het feit Het bewezenverklaarde levert op: Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod. 5. Strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar. 6. Motivering van de sanctie Hoofdstraf Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Bij de bepaling van de strafsoort en -duur heeft de rechtbank in het bijzonder het navolgende overwogen. Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de invoer van ongeveer 8.605 gram van een materiaal bevattende cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. Aangezien de rechtbank het aannemelijk acht dat de verdeling van de hoeveelheid cocaïne over de rolkoffers van verdachte en zijn medeverdachte willekeurig is en zonder medewerking van hen heeft plaatsgevonden en verdachte bij de bepaling van de strafmaat in beginsel verantwoordelijk wordt gehouden voor de hoeveelheid welke hij zelf in zijn rolkoffer Nederland heeft binnengebracht, houdt de rechtbank bij het vaststellen van de strafmaat in het onderhavige geval rekening met de helft van het gewicht van de in totaal aangetroffen hoeveelheid cocaïne, te weten ongeveer 4.302 gram. Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur passend en geboden is. 7. Toepasselijke wettelijke voorschriften De volgende wetsartikelen zijn van toepassing: 47 van het Wetboek van Strafrecht; 2, 10 van de Opiumwet. 8. Beslissing De rechtbank: Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3. vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij. Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert. Verklaart verdachte hiervoor strafbaar. Veroordeelt verdachte wegens dit feit tot een gevangenisstraf voor de duur van ZESENTWINTIG MAANDEN. Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht. 9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum Dit vonnis is gewezen door: mr. Helmonds, voorzitter, mrs. Van den Boogaard en Koole, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Brok, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 2 augustus 2004.