Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BD6069

Datum uitspraak2008-02-07
Datum gepubliceerd2008-07-02
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200708432/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 11 mei 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) vastgesteld dat er sprake is van twee gevallen van ernstige verontreiniging op de locatie Rijksstraatweg 252a te Hellevoetsluis en dat spoedige sanering niet noodzakelijk is. Tevens heeft het college bij dit besluit onder voorwaarden ingestemd met het ingediende saneringsplan voor geval 2.


Uitspraak

200708432/1. Datum uitspraak: 2 juli 2008 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellanten], wonend te [woonplaats], en het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 11 mei 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) vastgesteld dat er sprake is van twee gevallen van ernstige verontreiniging op de locatie Rijksstraatweg 252a te Hellevoetsluis en dat spoedige sanering niet noodzakelijk is. Tevens heeft het college bij dit besluit onder voorwaarden ingestemd met het ingediende saneringsplan voor geval 2. Bij besluit van 8 november 2007 heeft het college het door [appellanten] hiertegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 december 2007, beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 juni 2008, waar [appellanten], in de persoon van [gemachtigden], zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Het college heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat [appellanten] geen belanghebbenden zijn, omdat de sanering geen gevolgen kan hebben voor de woonomgeving van [appellanten] daar zij niet in de directe omgeving van de saneringslocatie woonachting zijn en de bodemverontreiniging immobiel is zodat er geen verspreidingsrisico van de verontreiniging is naar de percelen van [appellanten]. 2.2. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Ter zitting is gebleken dat de percelen van de woningen van [appellanten] grenzen aan de te saneren locatie en dat het in geval 1 gaat om een bodemverontreiniging met minerale oliën, waarvan niet is uitgesloten dat die een mobiel karakter heeft. Gelet hierop kunnen [appellanten] mogelijk gevolgen ondervinden van de op de locatie aanwezige bodemverontreiniging en de sanering daarvan. De belangen van [appellanten] zijn derhalve rechtstreeks bij het primaire besluit betrokken, zodat zij als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht moeten worden aangemerkt. Het college heeft het bezwaar van [appellanten] ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. 2.3. Het beroep is gegrond. Het besluit van 8 november 2007 komt voor vernietiging in aanmerking. 2.4. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het beroep gegrond; II. vernietigt het besluit van college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 8 november 2007, kenmerk PZH-2007-542743; III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 13,78 (zegge: dertien euro en achtenzeventig cent); het dient door de provincie Zuid-Holland aan [appellanten] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen; IV. gelast dat de provincie Zuid-Holland aan [appellanten] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen. Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, ambtenaar van Staat. w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Taal voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2008 325-570.