Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BD6747

Datum uitspraak2008-07-09
Datum gepubliceerd2008-07-09
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200707898/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 29 juni 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Gorinchem (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid aannemersbedrijf [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het gewijzigd uitvoeren van de op 20 april 2004 verleende bouwvergunning voor een appartementencomplex op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).


Uitspraak

200707898/1. Datum uitspraak: 9 juli 2008 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Gorinchem, tegen de uitspraak in zaak nr. 06/1480 van de rechtbank Dordrecht van 5 oktober 2007 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Gorinchem. 1. Procesverloop Bij besluit van 29 juni 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Gorinchem (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid aannemersbedrijf [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het gewijzigd uitvoeren van de op 20 april 2004 verleende bouwvergunning voor een appartementencomplex op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel). Bij besluit van 31 oktober 2006 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 5 oktober 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Dordrecht (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 november 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 december 2007. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 juni 2008, waar [appellant] in persoon, en het college, vertegenwoordigd door S.P.C. Bijlmakers, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Bij besluit van 20 april 2004 is vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het realiseren van een appartementencomplex op het perceel. Bij besluit van 25 mei 2005 heeft het college bouwvergunning verleend voor het gewijzigd uitvoeren van het bouwplan waarvoor de bouwvergunning was verleend, in die zin dat wijzigingen zijn doorgevoerd ten behoeve van bergingen op de begane grond en het verloop van de trappen in het trappenhuis. Beide bouwvergunningen zijn onherroepelijk geworden. In het besluit dat thans in geding is, heeft het college bouwvergunning verleend voor het gewijzigd uitvoeren van de bouwplannen waarop de eerder verleende vergunningen betrekking hadden, in die zin dat het aantal appartementen wijzigt van tien naar twaalf. Dit vanwege de omzetting van de vijf geplande maisonnettes op de tweede verdieping in vijf appartementen, en het realiseren van twee appartementen op de derde etage. 2.2. Niet in geschil is dat de wijzigingen zoals thans aan de orde niet in overeenstemming zijn met de artikelen 4.11, 4.24, 4.28, 4.38 en 4.49 van het Bouwbesluit 2003 (hierna: het Bouwbesluit). Om bouwvergunning te kunnen verlenen heeft het college ontheffing als bedoeld in artikel 1.11 van het Bouwbesluit verleend van deze artikelen. 2.3. Ingevolge artikel 4 van de Woningwet, zoals dat gold ten tijde van het nemen van het besluit van 31 oktober 2006, zijn de voorschriften die zijn gegeven bij of krachtens de in artikel 2 genoemde algemene maatregel van bestuur, van toepassing op elk bouwen, en op de staat van elk bestaand bouwwerk en van elke bestaande standplaats. Indien een bouwwerk of standplaats gedeeltelijk wordt vernieuwd, veranderd of vergroot, zijn die voorschriften, voor zover zij betrekking hebben op het bouwen, slechts van toepassing op die vernieuwing, verandering of vergroting. Ingevolge artikel 6, eerste lid, kan bij een voorschrift, gegeven bij of krachtens de in artikel 2 bedoelde algemene maatregel van bestuur, worden bepaald dat burgemeester en wethouders van dat voorschrift ontheffing kunnen verlenen tot een bij dat voorschrift aangegeven niveau. Ingevolge artikel 1.11, eerste lid, van het Bouwbesluit kunnen burgemeester en wethouders bij het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk ontheffing verlenen van een bij of krachtens dit besluit vastgesteld voorschrift omtrent het bouwen van een bouwwerk tot het niveau van de desbetreffende voorschriften voor een bestaand bouwwerk, tenzij bij het voorschrift anders is aangegeven. Ingevolge het tweede lid kunnen burgemeester en wethouders, voorzover bij of krachtens dit besluit geen voorschrift is vastgesteld omtrent de staat van een bestaand bouwwerk, bij het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk ontheffing verlenen van een voorschrift omtrent het bouwen van een bouwwerk tot het rechtens verkregen niveau, tenzij bij het voorschrift anders is aangegeven. 2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college geen gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid om ontheffing te verlenen als bedoeld in artikel 1.11 van het Bouwbesluit, omdat geen sprake was van het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk, nu het appartementencomplex ten tijde van het besluit waarbij die ontheffing is verleend nog in aanbouw was. 2.4.1. In beginsel dient bij bouwen als bedoeld in artikel 1 van de Woningwet te worden voldaan aan de nieuwbouweisen van het Bouwbesluit. Omdat het niet mogelijk is om in alle situaties het niveau van de nieuwbouweisen te verlangen bij verbouw of renovatie, is overeenkomstig artikel 6 van de Woningwet aan het college de bevoegdheid toegekend om in voorkomende gevallen ontheffing te verlenen van de nieuwbouweisen tot een in het Bouwbesluit aangegeven niveau. Ingevolge artikel 1.11 van het Bouwbesluit kan deze ontheffing worden verleend bij het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk. Het college kan niet worden gevolgd in zijn standpunt dat sprake is van vernieuwen van een bouwwerk omdat ter plaatse voorafgaand aan de realisatie van het bouwplan een gebouw heeft gestaan. Dit gebouw is immers geheel gesloopt. De grond heeft daarna tijdelijk braak gelegen, alvorens een begin is gemaakt met de realisatie van het bouwplan dat thans in geding is. De omstandigheid dat ten tijde van de verlening van de ontheffing reeds een gedeelte van het complex was gerealiseerd maakt niet dat kan worden gesproken van het vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk als bedoeld in artikel 1.11 van het Bouwbesluit. Het college heeft bouwvergunning verleend voor het gewijzigd uitvoeren van het bouwplan waarvoor op 20 april 2004 bouwvergunning is verleend, op het moment dat de bouw van het appartementencomplex nog niet was voltooid. Er is derhalve sprake van een besluit ten aanzien van het wijzigen van een bouwplan, niet van een besluit ten aanzien van het vernieuwen van een bouwwerk. Artikel 1.11 biedt geen basis voor verandering van een bouwplan ten opzichte van een bouwplan waarvoor reeds een vergunning is verleend, doch nog niet is gerealiseerd. Er kan pas sprake zijn van het vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk als bedoeld in artikel 1.11 van het Bouwbesluit wanneer dit bouwwerk is voltooid. Nu daarvan geen sprake was, kon het college niet met toepassing van dit artikel ontheffing van de in rechtsoverweging 2.2. aangegeven bepalingen van het Bouwbesluit verlenen. De bouwvergunning is in strijd met artikel 44, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet verleend. De rechtbank is hier ten onrechte aan voorbij gegaan. Het betoog slaagt. 2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 31 oktober 2006 van het college alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt eveneens voor vernietiging in aanmerking. Het college dient op het door [appellant] tegen het besluit van 29 juni 2006 gemaakte bezwaar een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. 2.6. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 5 oktober 2007 in zaak nr. 06/1480; III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond; IV. vernietigt het besluit van het college van 31 oktober 2006, kenmerk 655 CB-dossier 75; V. gelast dat de gemeente Gorinchem aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 355,00 (zegge: driehonderdvijfenvijftig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. D. Roemers, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Wijers, ambtenaar van Staat. w.g. Slump w.g. Wijers voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2008 444