Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BD6841

Datum uitspraak2008-07-01
Datum gepubliceerd2008-07-10
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/2682 WWB
Statusgepubliceerd


Indicatie

Geen bijzondere bijstand ter voldoening van huursubsidieschuld.


Uitspraak

07/2682 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 maart 2007, 06/2794 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College) Datum uitspraak: 1 juli 2008 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. W. Boelens, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juni 2008. Voor appellant is verschenen mr. Boelens. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.B.H. Fijneman, werkzaam bij de gemeente Rotterdam. II. OVERWEGINGEN 1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende. 1.1. Aan appellante is aanvankelijk door het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) huursubsidie toegekend over de periode van 1 juli 2005 tot en met 31 december 2005. Bij beschikking van 2 september 2005 is dat besluit herzien en is de reeds uitbetaalde huursubsidie over juli tot en met september 2005 tot een bedrag van € 815,43 van haar teruggevorderd omdat op de peildatum voor de vaststelling van het recht op huursubsidie (1 juli 2005) de bij appellante inwonende pleegkinderen niet rechtmatig verblijf hielden in Nederland. Sinds 11 juli 2005 hebben de pleegkinderen van appellante weer wel rechtmatig verblijf in Nederland. 1.2. Op 22 september 2005 heeft appellante, met terugwerkende kracht, bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag aangevraagd. Na bezwaar tegen het geheel afwijzende besluit van 8 januari 2006 is haar bij besluit van 12 juni 2006 alsnog woonkostentoeslag toegekend met ingang van 1 oktober 2005. Tegen dit besluit is geen rechtsmiddel aangewend. 1.3. Inmiddels had appellante op 25 oktober 2005 tevens een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend ter voldoening van de huursubsidieschuld aan VROM over de periode van 1 juli tot en met 30 september 2005. Bij besluit van 23 januari 2006 heeft het College deze aanvraag afgewezen op de grond dat geen sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten als bedoeld in artikel 35 van de Wet werk en bijstand (WWB). 1.4. Bij besluit van 31 mei 2006 heeft het College de tegen het besluit van 23 januari 2006 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Daaraan is, onder verwijzing naar onder meer de artikelen 13, eerste lid, aanhef en onder f en 49 van de WWB, ten grondslag gelegd dat voor het aflossen van schulden geen bijzondere bijstand kan worden verleend en dat van dringende redenen om daarvan af te wijken niet is gebleken. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het tegen het besluit van 31 mei 2006 ingestelde beroep ongegrond verklaard. 2.1. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd voor zover deze betrekking had op de weigering van bijzondere bijstand voor de huursubsidieschuld. Appellante heeft daartoe - samengevat - met een beroep op de memorie van toelichting op artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB, aangevoerd dat de wetgever ervan is uitgegaan dat burgers in beginsel kunnen beschikken over een inkomen op bijstandsniveau, zodat schulden niet ontstaan bij gebrek aan noodzakelijke middelen maar voortvloeien uit een bepaalde wijze van besteding van die middelen. De onderhavige schuld is niet ontstaan door een onjuiste besteding van op zich toereikende middelen, maar enkel door het achteraf wegvallen van een voorliggende voorziening. Dit rechtvaardigt volgens appellante een uitzondering op de regel dat voor schulden geen bijstand wordt verleend. 3. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 3.1. Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB heeft degene die bijstand vraagt ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast en die overigens bij het ontstaan van de schuldenlast, dan wel nadien, beschikte of beschikt over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, geen recht op bijstand. In artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB is de mogelijkheid opgenomen om in afwijking van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB bijzondere bijstand te verlenen, indien daartoe zeer dringende redenen bestaan en de in onderdeel a van de artikel genoemde mogelijkheid (borgtocht bij saneringskrediet) geen uitkomst biedt. 3.2. Vaststaat dat appellante ten tijde van belang een inkomen had dat ten minste gelijk was aan de voor haar geldende bijstandsnorm, zodat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB in beginsel aan bijstandsverlening voor de huursubsidieschuld in de weg staat. De Raad is voorts van oordeel dat het College niet bevoegd was om appellante met toepassing van artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB niettemin bijstand te verlenen voor die schuld. Van een afgewezen aanvraag om een schuldsaneringskrediet is immers niet gebleken en in hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB. De Raad merkt daarbij nog op dat hem niet is gebleken dat appellante voor de kosten in geding geen aflossingsregeling met VROM heeft kunnen treffen. 3.3. Hetgeen appellante meer specifiek met een beroep op de memorie van toelichting in hoger beroep nog heeft aangevoerd, kan hier niet aan afdoen. De Raad merkt in dat verband op dat de tekst en de strekking van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB op zichzelf duidelijk is en dat de wetsgeschiedenis overigens geen aanknopingspunten biedt voor de stelling dat de oorzaak van een schuld, nog daargelaten of en in hoeverre die precies kan worden vastgesteld, een (doorslaggevende) rol speelt bij de beantwoording van de vraag of voor die schuld bijzondere bijstand kan worden verleend. 4. Gelet op het voorgaande onder 3.1. tot en met 3.3. slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, komt derhalve voor bevestiging in aanmerking. 4.1. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten. Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en A.B.J. van der Ham en H.C.P. Venema als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2008. (get.) R.H.M. Roelofs (get.) C. de Blaeij RG