Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BD6845

Datum uitspraak2008-06-30
Datum gepubliceerd2008-07-30
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers07/00369
Statusgepubliceerd


Indicatie

WOZ-beschikking later aan belanghebbende bekend gemaakt dan de aanslag waterschapslasten. Niet slechts de in een aan de rechthebbende bekend gemaakte WOZ-beschikking vastgestelde waarde kan dienen als heffingsmaatstaf voor een aanslag waterschapsbelastingen (verg.HR 39569, BNB 2005/257). Ten tijde van het doen van de uitspraak kon de heffingsambtenaar nog geen kennis hebben van het tegen de WOZ-beschikking in te dienen bezwaar. Overeenkomstige toepassing van art. 131 Waterschapswet in casu doelmatig (verg. HR 39597, BNB 2005/258). Beroep gegrond. Geen volledige vergoeding in de proceskosten gelet op het feit dat het voeren van de procedure feitelijk zinledig was.


Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM Kenmerk P07/00369 uitspraak van de vijfde enkelvoudige belastingkamer op het hoger beroep van X, wonende te Z, belanghebbende, tegen de uitspraak in de zaak no. 06/11215 van de rechtbank Haarlem van 7 juni 2007 in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van het Schap, te P, de heffingsambtenaar. 1. Ontstaan en loop van het geding 1.1. De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 30 april 2006 aan belanghebbende voor het jaar 2006 een aanslag waterschapsbelasting eigenaren opgelegd ten bedrage van € 148,57. Belanghebbende heeft tegen deze aanslag tijdig bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar bij uitspraak van 3 oktober 2006 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 7 juni 2007, verzonden op 11 juni 2007, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het door belanghebbende ingestelde beroep deels ongegrond en deels niet-ontvankelijk verklaard. 1.2. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij beroepschrift van 28 juni 2007, bij het Hof ingekomen op 2 juli 2007. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2008. Verschenen is belanghebbende. Namens de heffingsambtenaar is verschenen A. Partijen hebben ieder een pleitnota voorgedragen en overgelegd. 1.4. Na de zitting heeft het Hof de zaak heropend en bij brief van 9 april 2008 nadere inlichtingen aan belanghebbende gevraagd. Deze heeft geantwoord bij brief, door het Hof ontvangen op 14 april 2008. De heffingsambtenaar heeft gereageerd bij brief van 25 april 2008. Partijen hebben desgevraagd verklaard geen nadere mondelinge behandeling te wensen. 2. Overwegingen 2.1. Feiten 2.1.1. De in het geding zijnde aanslag, dagtekening 30 april 2006, is aan eiser opgelegd ter zake van de eigendom van de in het volgende overzicht opgenomen, alle in de gemeente Q gelegen, onroerende zaken. In dit overzicht zijn tevens opgenomen de maatstaf van heffing en het totaal bedrag per adres: adres maatstaf bedrag 1. B-weg 0 € 57.750 € 19,09 2. C-straat 0 € 127.748 € 42,33 3. C-straat 0 boven € 111.900 € 36,52 4. D-straat 0 € 71.400 € 23,24 5. D-straat 0 boven € 43.417 € 14,11 6. E-weg 0 € 41.895 € 13,28 € 148,57 2.1.2. Bij het vaststellen van de aanslag heeft de heffingsambtenaar als maatstaf van heffing gehanteerd de door de gemeente Q voor het tijdvak 1 januari 2005 tot 1 januari 2007 vastgestelde WOZ-waarden met waardepeildatum 1 januari 2003. 2.1.3. Het door belanghebbende tegen de aanslag ingediende bezwaar betrof, voor zover hier van belang, het feit dat voor de panden C-straat 0 en D-straat 0 telkens één WOZ-beschikking was vastgesteld en dat er voor de panden C-straat 0 boven en D-straat 0 boven geen afzonderlijke waarden waren vastgesteld. 2.1.4. Voor de objecten 1, 2, 4 en 6 waren op 28 februari 2006, op één aanslagbiljet verenigde, WOZ-beschikkingen en gemeentelijke aanslagen aan belanghebbende uitgereikt. 2.1.5. Voor C-straat 0 boven is op 31 mei 2006 een WOZ-beschikking, gecombineerd met een gemeentelijke aanslag, vastgesteld. Belanghebbende diende hiertegen bij brief van 19 juni 2006 tijdig bezwaar in. 2.1.6. Op 3 oktober 2006 heeft de heffingsambtenaar belanghebbendes bezwaar tegen de aanslag waterschapslasten ongegrond verklaard. 2.1.7. In zijn beroepschrift van 29 oktober 2006 bij de rechtbank voerde belanghebbende, voor zover hier van belang, aan dat voor D-straat 0 boven geen WOZ-beschikking was vastgesteld. 2.1.8. Bij brief van 20 december 2006 schreef de heffingsambtenaar belanghebbende onder meer: “Op dinsdag 19 december 2006 heb ik met u telefonisch contact opgenomen in verband met het door u ingediende beroepschrift tegen de aanslag waterschapsbelasting 2006 (…). Ik heb met u de volgende zaken besproken: (…) 2. Voor het object C-straat 0 BOV heeft u met dagtekening 31 mei 2006 van de gemeente alsnog een WOZ-waardebeschikking gekregen. 3. Voor het object D-straat 0 BOV heeft u afgelopen weekend van de gemeente alsnog een WOZ-waardebeschikking gekregen. Gelet op de alsnog afgegeven waardebeschikkingen van de gemeente is de aanslag waterschapsbelasting 2006 correct opgelegd. Dit is echter pas duidelijk geworden nadat uitspraak is gedaan op uw bezwaarschrift. Hierdoor heeft u onnodig beroep in moeten stellen bij de Rechtbank. Ik heb daarom toegezegd het door u betaalde griffierecht aan u te vergoeden, nadat u het beroepschrift bij de Rechtbank heeft ingetrokken. Na ontvangst van de bevestiging van de Rechtbank dat het beroep is ingetrokken, zal ik het op de bevestiging vermelde bedrag aan griffierecht per omgaande overmaken op uw rekening. Ik hoop dat hiermee de zaak uiteindelijk naar tevredenheid is opgelost.” 2.1.9. Voor D-straat 0 boven is op 29 december 2006 een WOZ-beschikking, gecombineerd met een gemeentelijke aanslag, vastgesteld. Belanghebbende diende hiertegen bij brief van 29 december 2006 tijdig bezwaar in. 2.1.10. Bij brief van 11 januari 2007 deelde belanghebbende de heffingsambtenaar onder meer mede: “Naar aanleiding van het bezwaarschrift dat ik had ingediend, ben ik telefonisch benaderd door een medewerkster van het Schap. Ik heb deze medewerkster zeer duidelijk verteld dat er geen aanslag voor D-straat 0 bov. Was opgelegd. Zij was alleen bereid dat serieus te nemen als ik bewijzen kon dat die aanslag niet was opgelegd. Dat is natuurlijk onzin, niemand kan iets aantonen dat hij niet ontvangen heeft. Kennelijk vond die medewerkster het niet nodig aan waarheids bevinding te doen en vond het makkelijker dat maar aan andere over te laten. Gevolg was wel dat er vervolgens een aanmaning kwam, waarop gereageerd moest worden etc. Daar zit behoorlijk wat tijd en kosten in. Kosten die ik voor een wel vergoed krijg bij een behandeling bij de bestuursrechter, temeer daar over duidelijk is dat er behoorlijk geblunderd is door het Schap.” 2.1.11. De heffingsambtenaar deelde belanghebbende bij brief van 25 januari 2007 onder meer mede: “Op dinsdag 19 december 2006 heb ik met u telefonisch afspraken gemaakt over intrekking van uw beroepschrift en de vergoeding van uw griffierecht. Ik heb dat vervolgens schriftelijk bevestigd. Op 2 januari heb ik u nogmaals telefonisch gesproken, omdat de rechtbank uw intrekking nog niet had ontvangen. U gaf aan er nog niet aan toe gekomen te zijn en het beroep in te trekken als u er wel aan toe komt. Tot mijn verbazing ontving ik op 16 januari 2007 een brief waarin u aangeeft dat u besloten heeft het beroep niet te zullen intrekken. (…) De medewerkster van het Schap die uw bezwaarschrift heeft behandeld heeft wel degelijk aan waarheidsvinding gedaan. Voor de WOZ-waarden zijn wij vrijwel geheel afhankelijk van de gemeente. De medewerkster heeft in de door de gemeente aangeleverde, geautomatiseerde bestanden gekeken en geconstateerd dat de gemeente de waarden heeft aangeleverd zoals op onze aanslag waterschapsbelasting staat vermeld. Daarnaast heeft zij nog telefonisch contact opgenomen met de gemeente. De gemeente heeft daarbij aangegeven dat de geleverde waarden en objecten juist zijn en er ook beschikkingen voor zijn verstuurd. Naar aanleiding van uw beroepschrift is nogmaals contact opgenomen met de gemeente. Nu kwam de gemeente met een gewijzigde mening dat inderdaad niet voor alle objecten in eerste instantie een beschikking is verstuurd. Aangezien het Schap hier niets aan kan doen, heeft het Schap in deze dus niet geblunderd, zoals u beweert. U geeft aan dat u kosten heeft gemaakt die door een bestuursrechter zouden worden vergoed. Ik wijs u erop dat een rechter slechts de kosten vergoed van reis- en verletkosten voor het bijwonen van een zitting (overigens doorgaans alleen bij een gegrond verklaring). Deze kosten heeft u nog niet gemaakt. De kosten van een bezwaar- of beroepschrift worden bij een gegrond verklaring alleen vergoed als u deze heeft laten opstellen door bijvoorbeeld een advocatenkantoor. Ik ben bereid u bovenop het griffierecht een kleine vergoeding van enkele tientjes te geven voor uw ongemak en om te voorkomen dat ik kosten moet maken voor het bijwonen van een zitting. Omdat ik u telefonisch niet kan bereiken, verzoek ik u om zelf contact op te nemen met de heer A onder telefoonnummer (…) om aan te geven welk bedrag u precies vergoed wilt zien tegen intrekking van het beroepschrift. (…) Tenslotte deel ik u mee dat ik op 2 januari 2007 met de rechtbank reeds heb gecommuniceerd dat u het beroepschrift zou intrekken. Ik werd hiertoe gedwongen omdat de termijn voor indiening van een verweerschrift zou verlopen op 4 januari 2007. Ik zal nu spoedig moeten overgaan tot het indienen van een verweerschrift bij de rechtbank, tenzij u alsnog positief reageert op het voorstel uw beroep in te trekken.” 2.1.12. De heffingsambtenaar diende zijn verweerschrift op 31 januari 2007 bij de rechtbank in. 2.1.13. Bij brief van 27 februari 2007 reageerde belanghebbende op de onder 2.1.11 vermelde brief van de heffingsambtenaar. Hierin is onder meer vermeld: “Ik blijf bij mijn stelling dat uw medewerkster niet aan waarheidsbevinding heeft gedaan. Als twee partijen verschillende dingen zeggen, geeft het geen pas, van de één zonder meer aan te nemen dat die juist geantwoord heeft en van de ander een bewijs te vragen. Een bewijs dat overigens niet te leveren is als er geen aanslag is geweest. Indien Uw medewerkster aan de Gem. Q gevraagd had het schriftelijk te bevestigen, had de waarheid meteen aan het licht gekomen. Dan doet men aan waarheidsbevinding. Nu lijkt het op vriendjes politiek. Overigens ben ik van mening dat de gemeente Q aansprakelijk is voor de kosten, tenminste als werkelijk navraag is gedaan bij de Gem. Q, hetgeen ook door de Gemeente Q ontkend wordt. Los van de drie hiervoor genoemde punten, die zeer zwaar opgenomen worden en ook moeten leiden tot een ander standpunt uwerzijds, is wat betreft het intrekken van het beroepschrift, zoals eerder aangegeven wel overeenstemming te bereiken, waarbij het in uw brief aangegeven bedrag bespreekbaar is. Het Schap is in de fout gegaan, dus die moet ook maar met een voorstel komen.” 2.1.14. Bij uitspraak van 24 augustus 2007 heeft de gemeente Q het bezwaar met betrekking tot de WOZ-beschikking van C-straat 0 boven gegrond verklaard en de WOZ-waarde verlaagd tot € 95.000. Eveneens bij uitspraak van 24 augustus 2007 is het bezwaar met betrekking tot de WOZ-beschikking van D-straat 0 boven gegrond verklaard. Overwogen werd dat sprake was van een onjuiste objectafbakening en dat een nieuwe beschikking zou worden opgelegd met een waarde van € 60.000. 2.2. Geschil In geschil is of belanghebbende terecht bezwaar heeft gemaakt tegen de aanslag voor zover deze betrekking heeft op de onroerende zaken C-straat 0 boven en D-straat 0 boven. Zo ja, dan is in geschil of de rechtbank belanghebbendes beroep gegrond had dienen te verklaren en hem een proceskostenvergoeding had dienen toe te kennen. 2.3. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de heffingsambtenaar deels ongegrond en deels niet-ontvankelijk verklaard en daarbij overwogen: “4.1. Ingevolge artikel 120, tweede lid van de Waterschapswet is de heffingsmaatstaf voor het opleggen van onderhavige aanslag de op de voet van de Wet woz vastgestelde waarde van de desbetreffende onroerende zaken. 4.2. Door verweerder (Hof: de heffingsambtenaar) is onweersproken gesteld, en de rechtbank heeft geen reden hier anders over te oordelen, dat hij ten tijde van het opleggen van de aanslag de beschikking had over de door de heffingsambtenaar van de gemeente Q vastgestelde waarde van D-straat 0 Bov. Hieruit leidt de rechtbank af dat deze heffingsambtenaar de beschikking waarbij de waarde van D-straat 0 Bov. is vastgesteld vóór het vaststellen van de in geding zijnde aanslag waterschapsbelastingen heeft genomen. Verweerder heeft dan op goede gronden deze waarde als heffingsmaatstaf voor het opleggen van de aanslag waterschapsbelastingen gebruikt. De rechtbank verwerpt de stelling van eiser (Hof: belanghebbende) dat artikel 120, tweede lid van de Waterschapswet zo moet worden uitgelegd dat slechts de in een bekendgemaakte woz beschikking vastgestelde waarde kan dienen als heffingsmaatstaf voor een aanslag waterschapsbelastingen (Hoge Raad 13 mei 2005, nr. 39569). 4.3. Nu de vastgestelde en op 15 december 2006 aan eiser bekend gemaakte waarde van D-straat 0 Bov. niet door hem wordt betwist moet dit tot de conclusie leiden dat de aanslag niet op een te hoog bedrag is vastgesteld. 4.4. Ter zake van de gevorderde rentevergoeding door eiser overweegt de rechtbank dat hier geen in artikel 26 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen genoemde aanslag of beschikking aan ten grondslag ligt, zodat eisers beroep op dit punt niet-ontvankelijk zal worden verklaard. 4.5. Een procedure voor de belastingrechter leent zich niet voor het beoordelen van het door eiser aan de orde gestelde geschilpunt met betrekking schending van de privacy, zodat het beroep ook op dit punt niet-ontvankelijk zal worden verklaard. 4.6. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep deels ongegrond en deels niet-ontvankelijk te worden verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De rechtbank: - verklaart het beroep voor zover dat zich richt tegen het besluit van 3 oktober 2006 betreffende de aanslag 2006 ongegrond; - verklaart het beroep overigens niet-ontvankelijk.” 2.4. Standpunten van partijen 2.4.1. Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding en naar de pleitnota’s. 2.4.2. Ter zitting hebben partijen, zakelijk weergegeven, hieraan nog het volgende toegevoegd: Belanghebbende: De WOZ-beschikking inzake D-straat 0 boven was nog steeds niet vastgesteld. Toen die beschikking kwam, heb ik bezwaar gemaakt; ook tegen de WOZ-beschikking inzake C-straat 0 boven. De bezwaren heb ik gemaakt, omdat in het voorgaande jaar, 2005, deze onroerende zaken niet gesplitst waren. Zowel voor D-straat 0 als voor C-straat 0 was voor de objecten in hun geheel één aanslag/beschikking opgelegd. Opeens kwamen de aanduidingen ‘boven’ erbij. Toen de WOZ-beschikkingen 2006 in februari 2006 kwamen, dacht ik dat D-straat 0 en C-straat 0 betrekking hadden op de panden in hun geheel, dus met inbegrip van ‘boven’. Maar bij de aanslag waterschapsbelastingen ging het om hogere bedragen. Ik heb ook wel gedacht ‘waar zijn wij mee bezig’. Begin 2007 zei de heffingsambtenaar ‘kom met een voorstel’. Dat heb ik niet gedaan. Toen kwam de zitting bij de rechtbank. Nu heb ik pas gezien dat de heffingsambtenaar over een uitdraai beschikte waarop hij zich baseerde. Tegen de door de gemeente op mijn bezwaren gedane uitspraken heb ik geen beroep ingesteld. De heffingsambtenaar: De beschikkingen voor D-straat 0 boven en C-straat 0 boven werden pas vastgesteld, nadat bij ons bezwaar was gemaakt. Wij waren uitgegaan van de juiste waarde. Nu kan de aanslag van D-straat 0 boven worden verminderd: er was een verkeerde objectafbakening. Zodra wij een en ander doorkrijgen van de gemeente, wordt er verminderd. Wij doen niet aan verhogingen. De bezwaren bij de gemeente gingen om de beneden-objecten. Bij ons ging het om de boven-objecten, waarvan de WOZ-waarden ons ter beschikking waren gesteld. We kregen de gegevens telefonisch van de gemeente. Wij konden daarom gewoon uitspraak op het bezwaar doen. Wij kunnen ons goed voorstellen dat belanghebbende bezwaar heeft gemaakt. In de beroepsfase hebben wij daarom voorgesteld iets voor het ongemak te betalen om dit uit de weg te helpen. De hoogte van het bij de rechtbank betaalde griffierecht en de kosten per uur als zodanig van het vervangen van belanghebbende worden niet betwist. Het totale bedrag van de door belanghebbende geclaimde kosten is vrij hoog. Het is jammer dat belanghebbende naar aanleiding van onze brief van januari 2007 niet heeft gebeld. Wij hebben inmiddels ook kosten gemaakt. 2.5. Beoordeling 2.5.1.1. Ingevolge artikel 120, tweede lid, van de Waterschapswet is voor de omslagen ter zake van gebouwde onroerende zaken, indien de gebouwde onroerende zaak tevens een onroerende zaak is als bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken, de heffingsmaatstaf de op de voet van hoofdstuk IV van die wet voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het tijdvak waarbinnen het desbetreffende kalenderjaar valt. 2.5.1.2. Belanghebbende stelt zich uiteindelijk op het standpunt dat hij terecht beroep heeft ingesteld met betrekking tot de aanslag voor zover deze betreft de onroerende zaken D-straat 0 boven en C-straat 0 boven en dat hij daarom recht heeft op vergoeding van proceskosten, ook voor de procedure bij de rechtbank. Ter ondersteuning van zijn standpunt voert belanghebbende aan dat deze aanslagen waren opgelegd zonder dat WOZ-beschikkingen waren vastgesteld. 2.5.1.3. Uit de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde leidt het Hof af dat de heffingsambtenaar ten behoeve van het vaststellen van de aanslag beschikte over van de gemeente Q afkomstige gegevens omtrent de WOZ-waarden van alle hiervoor in het in 2.1.1 opgenomen overzicht vermelde onroerende zaken. Belanghebbende heeft dit uiteindelijk niet ontkend. De heffingsambtenaar heeft daarom op goede gronden de voor de onroerende zaken D-straat 0 boven en C-straat 0 boven door de gemeente Q aan hem ter beschikking gestelde WOZ-waarden als maatstaf van heffing gebruikt. Evenals de rechtbank verwerpt het Hof de stelling van belanghebbende dat artikel 120, tweede lid, van de Waterschapswet zo moet worden uitgelegd dat slechts de in een aan de rechthebbende bekend gemaakte WOZ-beschikking vastgestelde waarde kan dienen als heffingsmaatstaf voor een aanslag waterschapsbelastingen (vergelijk ook Hoge Raad 13 mei 2005, nr. 39569, LJN: AR6816, onder meer gepubliceerd in BNB 2005/257). 2.5.2.1. Artikel 131 van de Waterschapswet bepaalt dat, indien bezwaar wordt gemaakt zowel tegen een belastingaanslag in de omslag ter zake van een gebouwde of ongebouwde onroerende zaak als tegen een op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken gegeven beschikking welke ten grondslag heeft gelegen aan die belastingaanslag, (…), ingeval feiten en omstandigheden in het geding zijn die van belang zijn zowel voor de heffing van de omslag ter zake van een gebouwde of ongebouwde onroerende zaak als voor de vaststelling van de waarde op de voet van genoemd hoofdstuk IV, de termijn waarbinnen de ambtenaar uitspraak doet op het eerstbedoelde bezwaar aan(vangt), in afwijking in zoverre van artikel 25, eerste lid, van de Algemene wet, op het tijdstip waarop de op de voet van genoemd hoofdstuk IV gegeven beschikking onherroepelijk is komen vast te staan. 2.5.2.2. Belanghebbende diende zijn bezwaar tegen de aanslag waterschapslasten voor zover deze betrekking heeft op de onroerende zaken D-straat 0 boven en C-straat 0 boven, in voordat de WOZ-beschikkingen te dier zake aan hem waren uitgereikt. Zoals in de onderdelen 2.1.5 en 2.1.9 hiervoor is vermeld, heeft belanghebbende tegen de later vastgestelde WOZ-beschikkingen bezwaren ingediend. Ten tijde van de mondelinge behandeling bij de rechtbank – 24 mei 2007 – heeft belanghebbende in zijn pleitnota naar voren gebracht dat de gemeente de bezwaren die belanghebbende tegen deze beschikkingen had ingediend nog niet had behandeld. Overweging 4.3 van de rechtbank, inhoudende dat de waarde van D-straat 0 boven niet door belanghebbende wordt betwist, is daarom onjuist. De rechtbank had belanghebbendes beroep in zoverre gegrond dienen te verklaren en de heffingsambtenaar opdracht moeten geven opnieuw uitspraak te doen met inachtneming van de onherroepelijk geworden WOZ-beschikkingen. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat de heffingsambtenaar ten tijde van het doen van de uitspraak nog geen kennis kon hebben van het met betrekking tot de woning D-straat 0 boven in te dienen bezwaar. Nochtans ziet het Hof geen reden voor een ander oordeel met betrekking tot laatstgenoemde woning, nu tussen partijen kennelijk niet in geschil is dat de heffingsambtenaar de door hem opgelegde aanslagen aanpast aan onherroepelijk geworden WOZ-beschikkingen op de voet van artikel 18a, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. In overeenstemming hiermee acht het Hof het in de gegeven omstandigheden doelmatig dat bij de woning D-straat 0 boven dezelfde gedragslijn wordt toegepast (vergelijk Hoge Raad 13 mei 2005, nr. 39597, onder meer gepubliceerd in BNB 2005/258). 2.6. Slotsom De slotsom is dat het beroep gegrond is, dat de uitspraken van de rechtbank en van de heffingsambtenaar worden vernietigd en dat de heffingsambtenaar opnieuw uitspraak doet op het door belanghebbende met betrekking tot C-straat 0 bov. en D-straat 0 bov. ingediende bezwaar. 2.7. Proceskosten Nu het beroep gegrond wordt verklaard, acht het Hof termen aanwezig voor de veroordeling van de heffingsambtenaar in de proceskosten. Het hof ziet echter geen reden om het door belanghebbende gevraagde bedrag in zijn geheel toe te kennen. Belanghebbende was ervan op de hoogte dat de heffingsambtenaar de aanslag voor zover deze betrekking had op C-straat 0 boven en D-straat 0 boven ambtshalve zou aanpassen na het onherroepelijk worden van de WOZ-beschikkingen. Uit de correspondentie gevoerd tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar (opgenomen onder 2.1.8, 2.1.10, 2.1.11 en 2.1.13 hiervoor), leidt het Hof af dat belanghebbende het in beginsel eens was met de intrekking van het beroep, zij het dat over een vergoeding van kosten nog moest worden gesproken. Het moet belanghebbende dus duidelijk zijn geweest dat voortzetting van de procedure voor de nu in geschil zijnde aanslag (nagenoeg) geen zin meer had. Belanghebbende voert hiertoe aan dat adequater handelen van de heffingsambtenaar had kunnen voorkomen dat een zitting bij de bestuursrechter noodzakelijk was. Belanghebbende verwijst hiervoor naar zijn brief van 27 februari 2007, waarin hij een voorstel voor een schikking had gedaan, welke brief nooit is beantwoord, zodat belanghebbende wel genoodzaakt was de zitting in Haarlem bij te wonen. Deze grief treft geen doel. Uit de hiervoor aangeduide briefwisseling blijkt dat de heffingsambtenaar op 25 januari 2007 aan belanghebbende had geschreven dat hij nu spoedig zou moeten overgaan tot het indienen van een verweerschrift bij de rechtbank, tenzij belanghebbende alsnog positief reageerde op het voorstel het beroep in te trekken. Een reactie gedateerd 27 februari 2007 kan, mede gezien het overige in de brief van 25 januari 2007 vermelde omtrent de termijn voor het indienen van een verweerschrift, dan niet adequaat worden genoemd. Anderzijds is ook de communicatie tussen de gemeente en de heffingsambtenaar niet van zodanige aard geweest die men van een behoorlijk handelende overheid zou mogen verwachten. Alles bij elkaar genomen acht het Hof het billijk de heffingsambtenaar te veroordelen tot enkel het vergoeden van de reiskosten van belanghebbende naar de rechtbank in Haarlem en het Hof in Amsterdam. Met inachtneming van het bepaalde in artikel 1, aanhef en onderdeel c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht jo. artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 bepaalt het Hof deze vergoeding op de kosten openbaar vervoer tweede klas, ofwel op een retour Q - Haarlem ad € 21,80 en een retour Q – Amsterdam ad € 22,60, zijnde in totaal € 44,40. 3. Beslissing Het Hof - vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover deze betrekking heeft op de uitspraak van 3 oktober 2006 betreffende de aanslag 2006 en verklaart het beroep bij de rechtbank in zoverre gegrond; - vernietigt de uitspraak van 3 oktober 2006; - draagt de heffingsambtenaar op opnieuw uitspraak te doen op het bezwaar; - verklaart het beroep overigens ongegrond; - gelast dat het Schap aan belanghebbende vergoedt het door deze voor de behandeling van het beroep in eerste aanleg betaalde griffierecht van € 38 en het voor het hoger beroep betaalde griffierecht van € 106; - veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 44,40 en wijst het Schap aan als de rechtspersoon die deze kosten aan belanghebbende moet vergoeden. Aldus vastgesteld door mr. J.P.A. Boersma, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. V.M. Maat als griffier. De beslissing is op 30 juni 2008 in het openbaar uitgesproken. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen: 1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. 2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.