Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BD7968

Datum uitspraak2008-07-01
Datum gepubliceerd2008-07-22
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Assen
Zaaknummers19.606358-07
Statusgepubliceerd


Indicatie

Geen bewijs voor opzet op dood/zwaar lichamelijk letsel. Middel (stomp broodmes) niet geëigend in combinatie waarop dat mes is gehanteerd.


Uitspraak

RECHTBANK ASSEN Sector strafrecht Parketnummer: 19.606358-07 vonnis van de meervoudige strafkamer d.d. 1 juli 2008 in de zaak van het openbaar ministerie tegen: [naam verdachte], geboren te [geboorte plaats en datum] 1975, wonende [woon/verblijfplaats verdachte]. Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 17 juni 2008. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.A. van der Lem, advocaat te Deventer. De tenlastelegging De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat hij op of omstreeks 29 augustus 2007 te Veenhuizen, althans in de gemeente Noordenveld, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [naam slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met een mes, althans een scherp en/of puntig en/of hard voorwerp, (meermalen) in en/of naar het lichaam van die [naam slachtoffer] heeft gestoken/gehakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; art 287 Wetboek van Strafrecht art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, terzake dat hij op of omstreeks 29 augustus 2007 te Veenhuizen, althans in de gemeente Noordenveld, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [naam slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een mes, althans een scherp en/of puntig en/of hard voorwerp, (meermalen) in en/of naar het lichaam van die [naam slachtoffer] heeft gestoken/gehakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht althans, indien ook terzake van het laatstvermelde geen veroordeling mocht volgen, terzake dat hij op of omstreeks 29 augustus 2007 te Veenhuizen, althans in de gemeente Noordenveld, opzettelijk mishandelend [naam slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of puntig en/of hard voorwerp, (meermalen) in het lichaam heeft gestoken/gehakt waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden; art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging. De voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. De vordering van de officier van justitie De officier van justitie mr. C. Westerling-Diderich acht hetgeen subsidiair is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank als volgt zal beslissen: een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met als bijzondere voorwaarde: reclasseringstoezicht. Vrijspraak De verdachte dient van het primair en subsidiair tenlastegelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht. De rechtbank acht met name niet bewezen het opzet, daaronder begrepen het voorwaardelijk opzet, op de dood van [naam slachtoffer] dan wel op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan die [naam slachtoffer]. Hiervan blijkt noch uit de verklaringen van verdachte, noch uit de toedracht van het incident. De rechtbank overweegt in dit verband dat het gebruikte middel -een (stomp) (brood)smeermes- gecombineerd met de wijze waarop verdachte het mes heeft gehanteerd -steken in schouder en zij- niet een geëigend middel is om iemand van het leven te beroven dan wel zwaar te verwonden. Uit de aangifte van het slachtoffer [naam slachtoffer] blijkt dat hij aan de eerste steek in zijn schouder geen verwonding heeft overgehouden en aan de tweede steek in zijn zij een oppervlakkige schaafwond waarvoor hij zich niet onder doktersbehandeling heeft hoeven stellen. Voorts blijkt uit het dossier dat [naam slachtoffer] direct na het incident in de wachtruimte van de winkel op zijn beurt is blijven wachten, vervolgens boodschappen heeft gedaan en eerst daarna op zijn afdeling melding heeft gemaakt van het steekincident en heeft aangegeven dat hij aangifte wilde doen. Gelet op voornoemde omstandigheden dient verdachte naar het oordeel van de rechtbank van het primair en subsidiair te worden vrijgesproken. Het bewijs Bewijsmiddelen De rechtbank acht de volgende bewijsmiddelen van belang, van welke bewijsmiddelen de strekking zakelijk is weergegeven: De verklaring van de verdachte ter terechtzitting waaruit blijkt dat hij, anders dan hij eerder bij de politie heeft verklaard, wél een mes heeft gebruikt. Verdachte: Ik ken het slachtoffer [naam slachtoffer] uit een eerdere detentie en toen waren er ook problemen tussen ons. Hoewel ik meende dat deze oude kwestie was uitgepraat, werd ik door [naam slachtoffer] opnieuw neerbuigend en respectloos behandeld. Ik wilde hierover praten met [naam slachtoffer] maar toen ik hem aansprak zei hij dat hij niets met mij te maken wilde hebben. Hierop werd ik zó boos dat ik [naam slachtoffer] flinke klappen wilde geven. Zover is het niet gekomen. Ik heb mijn boodschappen naar mijn kamer gebracht, zag een (brood)smeermes liggen en heb dit gepakt en ben teruggelopen om [naam slachtoffer] “pijn te doen”. Ik heb toen met het mes met een hakkende beweging op de schouder van [naam slachtoffer] ingestoken en vervolgens nog een keer in de zij van [naam slachtoffer] gestoken. Ik had zeker niet de bedoeling om [naam slachtoffer] van het leven te beroven of zwaar te verwonden. De aangifte van [naam slachtoffer] d.d. 5 september 2007 (pagina 13 e.v. van het proces-verbaal met dossiernummer PL031T/07-174447 van de politie Drenthe, District Noord, Basiseenheid Noordenveld/Tynaarloo) inhoudende: Een groepje gedetineerden stond te wachten voor de gevangeniswinkel. Er werd wat gedold en gelachen. [naam verdachte] dacht dat hij werd uitgelachen. Hij is vervolgens naar de afdeling naast de winkel gelopen. Direct daarna kwam hij het halletje waar ik stond te wachten voor de winkel binnen gerend. Ik zag toen vanuit mijn ooghoek dat mij wat van achteren naderde. Ik vernam toen dat ik met een voorwerp werd gestoken in mijn linkerschouder. Toen ik mij omdraaide zag ik dat hij een broodmes in zijn rechterhand had en dat hij hakkende bewegingen in mijn richting maakte. De tweede keer stak hij in mijn linkerzij. Aan de eerste steek hield ik geen verwonding over, de tweede veroorzaakte een oppervlakkige wond. Hiervoor hoefde ik mij niet onder doktersbehandeling te stellen. Na de derde poging werd de dader door medegevangenen overmeesterd en werd hem het mes afgepakt. Ik heb vervolgens mijn boodschappen gedaan in de winkel en ben vervolgens naar mijn afdeling gegaan. De verklaring van de getuige [naam getuige] d.d. 28 september 2007 (pagina 20 e.v. van het proces-verbaal met dossiernummer PL031T/07-174447 van de politie Drenthe, District Noord, Basiseenheid Noordenveld/Tynaarloo) inhoudende: Op 29 augustus 2007 stond ik in het wachthokje bij de winkel in de P.I. Esserheem te Veenhuizen. Ik was daar met onder andere [naam slachtoffer]. Ik zag dat een man op [naam slachtoffer] af liep. Ik hoorde dat de man tegen [naam slachtoffer] zei: “Als je het nu niet met me regelt dan pak ik jou!”. Ik zag dat de man boos werd. Ik zag dat de man een broodmes uit zijn rechterbroekzak pakte. Ik zag dat hij het mes in de linkerschouder van [naam slachtoffer] stak. Ik zag dat hij hierna nog een keer in de linkerzij van [naam slachtoffer] stak. Bewezenverklaring De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 29 augustus 2007 te Veenhuizen, opzettelijk mishandelend [naam slachtoffer] met een mes, (meermalen) heeft gestoken/gehakt waardoor deze letsel heeft bekomen. De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor de bewezenverklaring. De verdachte zal van het meer subsidiair meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht. Kwalificatie Het meer subsidiair bewezen verklaarde levert op: mishandeling, strafbaar gesteld bij artikel 300, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Strafbaarheid De rechtbank acht de verdachte strafbaar, omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht. Strafmotivering De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden straf in aanmerking: de aard en de ernst van het gepleegde feit; de omstandigheden waaronder dit feit is begaan; hetgeen de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte; de eis van de officier van justitie; het pleidooi van de raadsvrouwe van de verdachte; de oriëntatiepunten voor de straftoemeting; de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 9 mei 2008, waaruit blijkt dat de verdachte eerder ter zake van vermogensdelicten is veroordeeld. De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ter zake van het subsidiair ten laste gelegde feit, poging tot zware mishandeling, wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk. De rechtbank acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 weken passend. Naar het oordeel van de rechtbank kan met deze straf, die lager is dan door de officier van justitie is gevorderd worden volstaan, onder meer nu de rechtbank, anders dan door de officier van justitie gevorderd, komt tot bewezenverklaring van eenvoudige mishandeling. Toepassing van wetsartikelen De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 10, 47 van het Wetboek van Strafrecht. Beslissing van de rechtbank De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte primair en subsidiair is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij. De rechtbank verklaart bewezen dat het meer subsidiair tenlastegelegde, mishandeling, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het strafbare feit zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar. De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 WEKEN (drie weken). Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Schoemaker, voorzitter en mr. B.I. Klaassens en mr. A.M.E. van der Sluijs, rechters in tegenwoordigheid van mr. A.D. Vermeer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 1 juli 2008, zijnde mr. Van der Sluijs buiten staat dit vonnis binnen de door de wet gestelde termijn mede te ondertekenen.