Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BD8256

Datum uitspraak2008-06-10
Datum gepubliceerd2008-07-22
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank 's-Hertogenbosch
ZaaknummersAWB 07/1700
Statusgepubliceerd


Indicatie

Verzoek aan het College van procureurs generaal om openbaarmaking op grond van de wet openbaarheid van bestuur van de processen-verbaal opgemaakt naar aanleiding van een ongeval. Ook het tweede besluit op bezwaar - na vernietiging van het eerste besluit op bezwaar - is onbevoegd genomen omdat het is genomen voor de inwerkingtreding van een in de Staatscourant gepubliceerde mandaatregeling. De brief van de Minister van Justitie waarin het eerste besluit op bezwaar door hem volledig wordt onderschreven heelt dit bevoegdheidsgebrek niet. Rechtsgevolgen blijven niet in stand. Openbaarmaking heeft mogelijk benadeling van het OM en bevoor- of benadeling van partijen in het civiele geding als gevolg. Maar ook dat getuigen minder openhartig zullen verklaren. Een categorale weigering is niet toegestaan. Per concreet geval dient te worden beoordeeld of betrokken getuige geen medewerking meer zal verlenen aan een strafrechtelijk onderzoek. Aan het nieuwe besluit op bezwaar is een gewijzigde motivering ten grondslag gelegd. Nog steeds is niet voldaan aan de eis dat per (onderdeel van een) document moet worden aangegeven waarom openbaarmaking van dat document ertoe zal leiden dat getuige in een vergelijkbaar geval in de toekomst geen medewerking zal verlenen aan strafrechtelijk onderzoek en het belang van openbaarmaking daarvoor moet wijken.


Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH Sector bestuursrecht Zaaknummer: AWB 07/1700 Uitspraak van de meervoudige kamer van 10 juni 2008 inzake Essent Netwerk B.V., te 's-Hertogenbosch, eiseres, gemachtigde mr. A.M.M. Ferwerda, tegen de Minister van Justitie, verweerder, gemachtigde mr. R.E. Craenen. Aan het geding hebben als belanghebbende partij deelgenomen: J. Hagenaar, A.D. Kooijman, A.J. van Es en Visser & Smit Bouw B.V., gemachtigde mr. P. Regteren. Procesverloop Bij besluit van 7 juli 2004 heeft de officier van justitie van het arrondissementsparket te Maastricht het verzoek van eiseres om openbaarmaking, op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob), van de processen-verbaal en de bijbehorende bijlagen, opgemaakt naar aanleiding van het omvallen van de hoogspanningsmast 33 te Beek op 30 maart 2004, afgewezen. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij ongedateerd besluit, verzonden op 11 april 2005, door het College van procureurs-generaal (hierna: het College) gegrond verklaard, voor zover het het verzoek om openbaarmaking van de resultaten van het onderzoek van de technische recherche en de digitale recherche betreft. Het besluit is in zoverre herroepen en op dat punt is beslist tot openbaarmaking. Wat het verzoek om openbaarmaking van de verklaringen van verdachten en getuigen betreft, is het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 19 mei 2005 beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij uitspraak van 28 november 2005 (AWB 05/1493) heeft de rechtbank dit beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en verweerder gelast opnieuw te beslissen op het bezwaar. Bij besluit van 29 december 2005 heeft het College opnieuw beslist op het bezwaar, daarbij het bezwaar deels ongegrond en deels gegrond verklaard en besloten tot openbaarmaking van het proces-verbaal van bevindingen, voor zover dit betrekking heeft op de bevindingen van de verbalisanten die niet in relatie staan tot de betrokkenheid van individuele personen. Bij uitspraak van 31 januari 2007 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) het tegen de uitspraak van de rechtbank ingestelde hoger beroep gegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd met verbetering van de gronden. Voorts heeft de ABRS het beroep tegen het nieuwe besluit op bezwaar van 29 december 2005 gedeeltelijk gegrond verklaard, het besluit van 29 december 2005 vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen. Bij besluit van 16 april 2007 heeft verweerder onder meer het bezwaar tegen het besluit van 7 juli 2004 ongegrond verklaard, voor zover het is gericht tegen de weigering een tweetal processen-verbaal (met bijlagen) van verhoor van getuigen - die verklaren betrokken te zijn geweest bij de werkzaamheden aan de hoogspanningsmast - openbaar te maken. Ten aanzien van deze stukken heeft verweerder de rechtbank verzocht met toepassing van artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te bepalen dat alleen zij daarvan kennis zal mogen nemen. Op 25 juni 2007 heeft de rechtbank beslist dat de beperking van de kennisneming van deze stukken gerechtvaardigd is. Eiseres heeft bij brief van 18 juli 2007 de rechtbank toestemming verleend om mede op grondslag van deze stukken uitspraak te doen. Het beroep is behandeld ter zitting van 28 maart 2008, waar eiseres zich heeft doen vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder en belanghebbende partijen zijn eveneens verschenen bij hun gemachtigden. Overwegingen 1. Het geschil beperkt zich tot beoordeling van het hernieuwde besluit op bezwaar van 16 april 2007, voor zover daarbij opnieuw is geweigerd om twee processen-verbaal van verhoor van getuigen openbaar te maken. 2. De rechtbank heeft in haar in het procesverloop genoemde uitspraak van 28 november 2005 de op 11 april 2005 door het College bekend gemaakte beslissing op bezwaar vernietigd, omdat het besluit onbevoegd was genomen. De rechtbank heeft in haar uitspraak overwogen dat verweerder weliswaar heeft beoogd om het College voor het nemen van dergelijke beslissingen mandaat te verlenen, maar dat dit mandaat, in strijd met artikel 10:5, tweede lid, van de Awb, niet op schrift was gesteld. Inmiddels is, in de Staatcourant van 27 augustus 2007 de Regeling van de Minister van Justitie van 17 augustus 2007, nr. 5501694/07/AvdJ, houdende verlening van mandaat aan het College van procureurs-generaal tot het nemen van besluiten op verzoeken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Regeling OM-mandaat Wob) gepubliceerd. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit is genomen voor de inwerkingtreding van deze mandaatregeling. Het bestreden besluit komt om die reden voor vernietiging in aanmerking. 3. Bij brief van 17 juni 2005 heeft verweerder ten aanzien van het eerste besluit op bezwaar van 11 april 2005 aangegeven dat het besluit door hem volledig wordt onderschreven en dat hij dezelfde beslissing zou hebben genomen. Deze brief heeft de rechtbank destijds aanleiding gegeven om te bezien of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand konden blijven. Namens verweerder is ter zitting betoogd dat het thans bestreden besluit een in opdracht van de ABRS genomen nieuw besluit op bezwaar is dat moet worden geacht eveneens onder de werking van de bij brief van 17 juni 2005 gegeven gedektverklaring te vallen. 4. De omstandigheid dat een bestuursorgaan - achteraf - een genomen besluit alsnog voor zijn rekening neemt kan een bevoegdheidsgebrek als het onderhavige niet ongedaan maken. Dat neemt niet weg dat er aanleiding kan bestaan, zoals in de uitspraak van de rechtbank van 28 november 2005, de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand te laten. De rechtbank ziet daartoe in dit geval geen aanleiding, omdat de brief van 17 juni 2005 niet zover strekt dat op grond daarvan ook het bevoegdheidsgebrek in het thans bestreden besluit voor gedekt kan worden verklaard. 5. De rechtbank hecht er echter aan om, in aanmerking nemende dat verweerder het bestreden besluit voor zijn rekening heeft willen nemen, ten behoeve van het nemen door verweerder van een nieuw besluit verder het volgende te overwegen. 6. Op 30 maart 2004 is hoogspanningsmast 33 te Beek omgevallen tijdens werkzaamheden aan die mast. Het betrof herstelwerkzaamheden nadat de mast door brand beschadigd was. Naar aanleiding van het omvallen van de mast is een strafrechtelijk onderzoek ingesteld, waarbij diverse betrokkenen zijn gehoord, waaronder werknemers van eiseres en van Visser & Smit B.V. Het strafrechtelijk onderzoek is inmiddels gesloten. Er is geen strafrechtelijk verwijtbaar handelen geconstateerd. Eiseres is aansprakelijk gesteld voor schade die het gevolg is van het ongeval en wil de mogelijkheid van regres op derden onderzoeken. In verband daarmee heeft zij verzocht om openbaarmaking van de processen-verbaal en de bijbehorende bijlagen die zijn opgemaakt naar aanleiding van het ongeval. Het verzoek tot openbaarmaking is aanvankelijk afgewezen, met uitzondering van de resultaten van het onderzoek van de technische recherche en de digitale recherche. 7. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob, voor zover hier van belang, kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Wob, wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11 van die wet. 8. Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wob, blijft het verstrekken van informatie achterwege voor zover dit persoonsgegevens betreft als bedoeld in paragraaf 2 van hoofdstuk 2 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp), tenzij de verstrekking kennelijk geen inbreuk op de persoonlijke levenssfeer maakt. 9. Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob, blijft het verstrekken van informatie eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden. 10. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de Wbp wordt onder persoonsgegeven verstaan: elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon. 11. Ingevolge artikel 16 van de Wbp, voor zover van belang, is de verwerking van strafrechtelijke persoonsgegevens verboden. 12. De ABRS heeft in haar in het procesverloop genoemde uitspraak van 31 januari 2007 overwogen dat onevenredige benadeling van het openbaar ministerie of onevenredige bevoor- of benadeling van een of meer van de partijen in het civiele geding als gevolg van de verstrekking van getuigenverklaringen niet onmogelijk moet worden geacht. Dit doet er volgens de ABRS evenwel niet aan af dat de rechtbank in haar uitspraak van 28 november 2005 terecht heeft overwogen dat er niet aan kan worden ontkomen om per (onderdeel van een) document de vraag te beantwoorden of aan dat belang een zodanig gewicht toekomt, dat openbaarmaking van het betreffende (onderdeel van dat) document achterwege mag blijven. Volgens de ABRS heeft de rechtbank terecht geconstateerd dat een dergelijke afweging niet is gemaakt. Hangende het hoger beroep is een nieuwe beslissing op het bezwaar genomen. Aan die beslissing is ten grondslag gelegd dat onderzoeken naar incidenten als het omvallen van een hoogspanningsmast ernstig belemmerd worden als getuigenverklaringen openbaar worden, omdat, als getuigen er rekening mee moeten houden dat hun verklaringen openbaar worden gemaakt, zij minder openhartig zullen verklaren. Het belang van het Openbaar Ministerie wordt volgens de overwegingen van die beslissing alleen beschermd, als alle getuigen er, onafhankelijk van de inhoud van hun verklaring, op kunnen rekenen dat hun verklaring slechts gebruikt wordt ten behoeve van het (strafrechtelijk) onderzoek en overigens niet openbaar gemaakt wordt. De ABRS heeft de Minister niet in die opvatting gevolgd. Volgens de ABRS is een categorale weigering niet toereikend. Er zal per document of onderdeel daarvan moeten worden bepaald of openbaarmaking ertoe kan leiden dat de betrokken getuige, dan wel een andere getuige in een vergelijk baargeval in de toekomst, geen medewerking meer zal verlenen aan een strafrechtelijk onderzoek en zo ja of in die concrete omstandigheid zodanig gewicht is gelegen dat het belang van openbaarmaking daarvoor moet wijken. 13. Het College heeft de weigering de processen-verbaal van verhoor van getuigen openbaar te maken gebaseerd op de door hen tegen openbaarmaking gerichte zienswijze van 7 april 2006, waarin zij onder meer naar voren brengen dat zij zich tegenover de politie minder welwillend zouden hebben opgesteld, indien zij zouden hebben geweten dat hun verklaringen openbaar zouden kunnen worden gemaakt. Het College concludeert hieruit dat de getuigen in een vergelijkbaar geval in de toekomst niet bereid zullen zijn om onmiddellijk na het voorgevallen incident een getuigenverklaring af te leggen. Het College heeft verder overwogen dat het in het belang van de opsporing is dat getuigen zich vrij voelen om, kort na een ernstig incident als het onderhavige, te verklaren over hun bevindingen. Gelet hierop acht het College de omstandigheid dat deze getuigen in een vergelijkbaar geval in de toekomst niet op dezelfde welwillende wijze zullen meewerken aan strafrechtelijk onderzoek van zodanig gewicht, dat het belang van openbaarmaking daarvoor moet wijken. 14. De rechtbank constateert dat het College daarmee slechts in zoverre een gewijzigde motivering aan de weigering ten grondslag heeft gelegd dat de geringe bereidheid om te verklaren niet langer is gemotiveerd met een verwijzing naar de geringe bereidheid van getuigen in het algemeen, maar van die van de getuigen in dit concrete geval. De rechtbank is van oordeel dat deze motivering nog steeds niet voldoet aan de door de ABRS in haar uitspraak van 31 januari 2007 gestelde eis dat per (onderdeel van een) document moet worden aangegeven waarom openbaarmaking van dat document of dat onderdeel ertoe zal leiden dat deze getuige of een andere getuige in een vergelijkbaar geval in de toekomst geen medewerking meer zal verlenen aan strafrechtelijke onderzoek en of daarin zodanig gewicht is gelegen dat het belang van openbaarmaking daarvoor moet wijken. Het College heeft bovendien niet voldaan aan de in de uitspraak van de ABRS impliciet gegeven onderzoeksopdracht. 15. Het bestreden besluit zou derhalve ook wegens strijdigheid met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb voor vernietiging in aanmerking zijn gekomen. 16. De rechtbank zal verweerder opdragen om, met inachtneming van hetgeen de rechtbank heeft overwogen, een nieuw besluit te nemen. 17. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 644,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand: • 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift; • 1 punt voor het verschijnen ter zitting; • waarde per punt € 322,00 • wegingsfactor 1. 18. Tevens zal de rechtbank bepalen dat eiseres het door haar gestorte griffierecht dient te worden vergoed. 19. Beslist wordt als volgt. Beslissing De rechtbank, - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - gelast verweerder opnieuw te beslissen op het bezwaar van eiseres met inachtneming van hetgeen de rechtbank heeft overwogen; - veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 644,00; - wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die de proceskosten dient te vergoeden; - gelast de Staat der Nederlanden eiseres het door haar gestorte griffierecht ten bedrage van € 285,00 te vergoeden. Aldus gedaan door mr. A.H.N. Kruijer, voorzitter, en mrs. D.J. de Lange en F.P.J.M. Otten, leden, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. H.J. van der Meiden als griffier op 10 juni 2008.