Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BD8288

Datum uitspraak2008-07-17
Datum gepubliceerd2008-07-24
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers08/342 AOW-W
Statusgepubliceerd


Indicatie

Verzoek om wraking van betrokken rechters afgewezen. De Raad is niet gebleken van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.


Uitspraak

08/342 AOW-W Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer BESLISSING op het verzoek als bedoeld in artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht, gedaan door: W. Leufkens te Heerlen, gemachtigde van [naam verzoeker], wonende in Spanje (hierna: verzoeker), Datum beslissing: 17 juli 2008 I. INLEIDING Verzoeker heeft bij brief van 23 december 2007 een verzoek tot herziening ingediend van de uitspraak van de Raad van 13 december 2007, 04/4961 en 04/4962 AOW. Namens de griffier van de Raad is bij brief van 14 maart 2008 medegedeeld dat het vooronderzoek is voltooid met het verzoek toestemming te geven dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Bij op 2 april 2008 bij de President van de Raad binnengekomen brief is beklag gedaan over onvoltooid onderzoek zonder het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie EG en is gevraagd de desbetreffende rechters van de internationale kamer van de Raad, mr. M.M. van der Kade, mr. T.L. de Vries en mr. H.J. Simon te schorsen wegens slecht rechterschap. Bij brief van 18 april 2008 is verzoeker uitgenodigd voor een behandeling van evenbedoelde herzieningszaak ter zitting van de internationale kamer op 29 mei 2008. Naar aanleiding hiervan heeft verzoeker de President van de Raad bij brief van 23 april 2008 verzocht om genoemde rechters in het communitair recht op staande voet te wraken omdat zij onmiskenbaar onjuist uitspraak hebben gedaan en systematisch hebben geweigerd een gedegen onderzoek in te stellen met inschakeling van het Hof van Justitie EG, dat een einde zou moeten maken aan de misstand van dubbele verzekeringsplicht van desbetreffende AOW-ers. Van een op dezelfde rechters betrekking hebbend wrakingsverzoek is tevens bij brief van 17 april 2008 de voorzitter van de Raad voor de rechtspraak in kennis gesteld. Daarin wordt gevraagd om vervanging van hen door onpartijdige en kundige rechters, die, indien nodig, het aanvragen van prejudicële beslissingen bij het Hof van Justitie EG niet schuwen. Blijkens een brief van 15 april 2008 aan ook de President van de Raad betreft het verzoek om wraking zelfs een 17-tal uitspraken van de Raad, waaronder de twee opgemelde, en heeft deze als redengeving het gemis van onafhankelijke rechtspraak. Verzoeker en de betrokken rechters van de internationale kamer zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van 26 juni 2008 door de voor de behandeling van deze zaak bijeengekomen wrakingskamer van de Raad. Zij hebben van deze gelegenheid evenwel geen gebruik gemaakt. Wel verschenen is de wederpartij van verzoeker in de herzieningszaak bij gemachtigde J.Y. van den Berg van de Sociale Verzekeringsbank. II. MOTIVERING Het verzoek om wraking van de in rubriek I met name genoemde rechters van de internationale kamer van de Raad berust in essentie op het standpunt dat, omdat in een herzieningszaak na een reeds gewezen uitspraak van de Raad de casus niet voor prejudiciële vragen is voorgelegd aan het Hof van Justitie EG, daardoor het verzoek om wraking dient te worden ingewilligd. Verzoeker heeft verzuimd, hoewel daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, zijn verzoek ter zitting van een verhelderende nadere verklaring te voorzien. In artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. Deze bepaling is ingevolge artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet in hoger beroep van overeenkomstige toepassing. Artikel 8:16, eerste lid, van de Awb bepaalt dat het verzoek wordt gedaan zodra de feiten en omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. Wat er overigens zij van de tijdspanne waarbinnen verzoeker zijn verzoek kenbaar heeft gemaakt en nog daargelaten hoe de aard van het verzoek binnen de voorliggende procedure naar strekking ten volle past, oordeelt de Raad gezien de kern van aangehaalde regelgeving en de daarop betrekking hebbende wetsgeschiedenis als volgt. Hem is niet gebleken van op de personen betrekking hebbende feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:15 van de Awb. Het verzoek om wraking van de betrokken rechters kan reeds hierom geen doel treffen en dient naar het oordeel van de wrakingskamer van de Raad dan ook te worden afgewezen. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Wijst het verzoek af. Aldus gegeven door R.C. Schoemaker als voorzitter en B.J.van der Net en G. van der Wiel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2008. (get.) R.C. Schoemaker. (get.) A. Badermann. IJ