Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BD8290

Datum uitspraak2008-07-02
Datum gepubliceerd2008-07-23
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Haarlem
Zaaknummers137648 / HA ZA 07-970
Statusgepubliceerd


Indicatie

Medische aansprakelijkheid. Vordering tot schadevergoeding van kosten verzorging en opvoeding kind na mislukte sterilisatie afgewezen. Volgens de deskundige zijn meerdere oorzaken mogelijk, welke niet allemaal aan de gynaecoloog zouden kunnen worden toegerekend. De oorzaak van de mislukte sterilisatie is niet komen vast te staan, zodat niet is komen vast te staan dat de arts niet heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend arts onder gelijke omstandigheden mag worden verwacht. Het beroep op het ontbreken van informed consent, slaagt evenmin. De informatieplicht van de gynaecoloog strekt zich niet uit tot het bespreken van de keuze voor de methode van sterilisatie.


Uitspraak

vonnis RECHTBANK HAARLEM Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 137648 / HA ZA 07-970 Vonnis van 2 juli 2008 in de zaak van 1. [EISERES], en 2. [EISER], beiden wonende te Drunen, gemeente Heusden, eisers, procureur mr. M. Middeldorp, advocaat mr. M.F. Hartman te Amsterdam, tegen [GEDAAGDE], wonende te Zaandam, gemeente Zaanstad, gedaagde, procureur mr. P. Ingwersen, advocaat mr. O.L. Nunes te Utrecht. Eisers zullen hierna respectievelijk [eiseres], [eiser] en gezamenlijk [eisers] genoemd worden. Gedaagde zal [gedaagde] genoemd worden. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 12 december 2007 - het proces-verbaal van comparitie van 12 maart 2008. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De feiten 2.1. [gedaagde] is als gynaecoloog verbonden aan de Stichting Zaans Medisch Centrum te Zaandam, rechtsopvolger van Stichting De Heel Maatschap Vrouwenartsen en als zodanig werkzaam in het Zaans Medisch Centrum, voorheen genaamd Ziekenhuis De Heel, te Zaandam. 2.2. [eisers] hebben in 1987 en in 1989 een kind gekregen. Na de geboorte van hun tweede kind heeft [eiseres] anti-conceptie gebruikt; in 1990 is een spiraaltje geplaatst. 2.3. Op 16 februari 1995 heeft [eiseres] [gedaagde] bezocht op haar spreekuur in het Ziekenhuis De Heel teneinde het spiraaltje, dat reeds meer dan vijf jaar aanwezig was, te doen vervangen. Bij nader gynaecologisch onderzoek bleek alleen hysteroscopische verwijdering van het spiraaltje mogelijk, hetgeen onder narcose dient te worden uitgevoerd. [eiseres] heeft vervolgens aangegeven zich tegelijkertijd te willen laten steriliseren. 2.4. Op 14 maart 1995 heeft [gedaagde] in dagbehandeling via een hysteroscopie het spiraaltje bij [eiseres] verwijderd. Tijdens dezelfde periode van anesthesie heeft sterilisatie plaatsgevonden. 2.5. Bij sterilisatie zijn verschillende methoden mogelijk. Bij het plaatsen van zogenaamde Falope-ringen (hierna: ringen) wordt een gedeelte van de eileider (de tuba) in een lus getrokken, waarna een siliconen ring strak over de lus wordt geschoven met behulp van een speciaal daarvoor ontworpen tang; met deze ring wordt de eileider aan de voet van de lus dichtgeklemd. 2.6. In het operatieverslag van de onder 2.4 vermelde operatie, is vermeld dat de tubae dun waren. Voorts vermeldt het operatieverslag dat de rechter tuba is voorzien van een Falope-ring en de linker tuba van twee Falope-ringen. In het operatieverslag is omcirkeld dat links en rechts de hele tuba omvat is, dat beide verkleurden en dat het een betrouwbare sterilisatie betreft. 2.7. Op 5 december 2000 bemerkte [eiseres] dat zij zwanger was. Op 6 december 2000 heeft [A], gynaecoloog in het Bosch Medicentrum te ‘s Hertogenbosch (hierna: [A]), [eiseres] onderzocht en de zwangerschap bevestigd. 2.8. In een brief van [A] van 29 december 2000 aan de huisarts van [eisers] is vermeld: “(…) Bij echoscopisch onderzoek vond ik een intacte intra uteriene eenling graviditeit met een kop/stuitlengte van 1,7 centimeter conform een amenorrhoeduur van 8½ week. Op basis van deze eerste echo is zij à terme op 16 juli 2001. (…)” 2.9. Bij brief van 27 maart 2001 van mr. N.C. Haase van DAS Rechtsbijstand, namens [eiseres], is onder meer vermeld: “Tot mij wendde zich Mw. [eiseres] met het verzoek haar belangen te behartigen inzak het volgende. Op 14 maart 1995 werd mijn cliënte in uw ziekenhuis opgenomen voor een laparoscopische sterilisatie. De sterilisatie vond plaats onder algehele anesthesie en hij werd uitgevoerd door de gynaecoloog [gedaagde]. In oktober 2000 blijkt mijn cliënte zwanger te zijn. Er is derhalve sprake van een mislukte sterilisatie waarvoor ik u, namens mijn cliënte, aansprakelijk houd. Ik acht u aansprakelijk voor de door mijn cliënte geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade.” 2.10. Op 5 juli 2001 is [eiseres] door middel van een keizersnee, uitgevoerd door [A], bevallen van een derde kind. Tijdens diezelfde operatie is nader onderzoek gedaan naar de oorzaak van de zwangerschap. In het operatieverslag staat vermeld: “Bij inspectie tweetal Faloperingen op linker tuba, goed afgesloten. Rechter tuba is volledig intact, ringetje naast tuba Foto’s gemaakt door medisch fotograaf.” 2.11. Bij brief van 27 augustus 2001 heeft [A] aan de medisch adviseur van de rechtsbijstandverzekeraar van [eiseres] als volgt geschreven: “(…) Aan de linker zijde was er een normale status na sterilisatie dat wil zeggen: er ontbrak een stukje tuba. (…) Aan de rechter zijde was er sprake van een dunne tuba die over de gehele lengte intact was. Het ringetje was adhaesief verbonden aan het midden van de eileider en zat niet meer op de eileider. Ook was er geen onderbreking ontstaan. De Falope-ring zat niet op het ligamentum rotundum of andere structuren. Een mogelijke verklaring van deze bevinding is dat het ringetje aanvankelijk wel op de eileider is geplaatst maar er na enige tijd is afgeschoven. Gezien het feit dat het ringetje vastgeplakt zat aan de eileider betekent dat er wel enige tijd overheen gegaan is omdat het anders in de vrije buikholte terecht gekomen zou zijn, Het dunne kaliber van de eileider zou oorzaak kunnen zijn geweest dat het ringetje van de eileider is geschoven. Samenvatting bevindingen: Links normale sterilisatiebevindingen. Rechts intacte eileider met halverwege een ringetje tegen de eileider geplakt. Overigens was het ringetje intact. (…)” 2.12. Bij beschikking van 10 maart 2004 heeft de rechtbank op verzoek van [eisers] een voorlopig deskundigenbericht gelast door [B], gynaecoloog, (hierna: [B]). Op 17 augustus 2004 is het definitieve deskundigenrapport ter griffie gedeponeerd. [B] bespreekt in zijn rapport de volgende verklaringen voor het optreden van zwangerschap na sterilisatie met ringen: 1. Ten tijde van de sterilisatie was er al sprake van een zwangerschap. 2. De ring is niet op de tuba geplaatst maar op een structuur die voor tuba werd aangezien. 3. De ring is wel op de tuba geplaatst maar dat is niet lege artis gebeurd en daardoor is de ring (vrijwel) meteen afgegleden. 4. De ring is lege artis op de tuba geplaatst maar wordt later toch niet op de tuba aangetroffen door: a. van de tuba loslaten van de ring door een materiaalfout van de betreffende ring b. van de tuba afglijden van de ring door manipulatie aan de uterus of het adnex tijdens de procedure aan de andere tuba of andere ingrepen tijdens dezelfde sessie c. migratie van de ring in de mesosalpinx met recanalisatie van de tuba d. van de tuba afglijden door een afwijkende structuur van de tuba. [B] vermeldt ten aanzien van mogelijke oorzaak 2.: “Dat het ringetje rechtstreeks op de mesosalpinx is geplaatst en dat dit tot de in het operatieverslag vermelde verkleuring zou hebben geleid is zeer onwaarschijnlijk.” Ten aanzien van mogelijke oorzaak 4. vermeldt [B]: “Ik acht het in hoge mate waarschijnlijk dat zich in deze casus dezelfde situatie heeft voorgedaan.” [B] concludeert in het rapport als volgt: “(…) Dit brengt mij tot de conclusie dat een operature failure niet eenduidig kan worden vastgesteld omdat niet is gebleken dat de verkeerde structuur is voorzien van een ring. Immers de NVOG richtlijn stelt: “Een operature failure kan alleen eenduidig worden vastgesteld indien blijkt dat de verkeerde structuur is gecoaguleerd of is voorzien van een ring of een clip. (…)”. Voorts geeft [B] in het rapport ter beantwoording van de gestelde vragen aan dat in hoge mate waarschijnlijk is dat sprake is van een method failure met als de meest waarschijnlijke oorzaak, zoals genoemd onder 4.c., migratie van de Falope-ring richting mesosalpinx (het vlies dat zich rond de eileider bevindt) met recanalisatie van de tuba. 2.13. Bij brief van 26 februari 2005 heeft [C], patholoog, aan [eiser] onder meer geschreven: “(…) Conclusie. Het is zeer onwaarschijnlijk dat een clip of ring rond de tuba gedurende enige tijd ( wellicht jaren) effectief is geweest zonder zichtbare veranderingen aan de serosa, gezien de bevindingen aangehaald in de vermelde literatuur. In alle onderzochte gevallen werd t.p.v. de clip/ring macroscopisch zichtbare fibrose en/of verdikking van de serosa gezien. (…) Mijns inziens is de bevinding van een gave, normaal gekleurde tuba met gelijkmatige diameter in tegenspraak met het effectief aanwezig geweest zijn van een clip of ring. (…)” 2.14. Bij brief van 10 oktober 2005 van mr. Hartman namens [eiseres], is [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de mislukte sterilisatie. 3. Het geschil 3.1. [eisers] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] zal veroordelen tot vergoeding van de schade die eisers lijden als gevolg van de mislukte sterilisatie van 14 maart 1995 dan wel als gevolg van het ontbreken van toestemming voor het uitvoeren van die sterilisatie, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 maart 1995, althans vanaf 5 juli 2001, althans vanaf de dag waarop de schade opeisbaar is geworden, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan die ter voldoening, kosten rechtens. 3.2. [eisers] hebben aan hun vordering ten grondslag gelegd dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de geneeskundige behandelingsovereenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde] gesloten met betrekking tot een sterilisatie, alsmede van onrechtmatig handelen van [gedaagde] jegens [eisers] De technische uitvoering van de sterilisatie en de controle van de plaatsing van de ring is volgens [eisers] niet uitgevoerd met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend gynaecoloog in deze omstandigheden verwacht mocht worden. Subsidiair voeren [eisers] aan dat de ingreep zonder toestemming als bedoeld in artikel 7:450 BW is uitgevoerd en geen sprake is van informed consent zoals bedoeld in artikel 7:448 BW, hetgeen een toerekenbare contractuele tekortkoming vormt jegens [eisers] waarvoor [gedaagde] aansprakelijk is. De schade bestaat uit de kosten van verzorging en opvoeding van de zoon en verlies van verdienvermogen van [eiseres]. 3.3. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4. De beoordeling Verjaring 4.1. [gedaagde] beroept zich primair op verjaring van de vordering. Daartoe heeft zij aangevoerd dat [eisers] vanaf het moment van bekend worden van de zwangerschap, en daarmee het niet slagen van de sterilisatie, in staat waren een vordering jegens [gedaagde] in te stellen, welke termijn zij evenwel ongebruikt hebben laten verstrijken. [gedaagde] voert daartoe aan dat uit de brief van de DAS Rechtsbijstand van 27 maart 2001 en de stellingen in de dagvaarding volgt dat [eisers] vóór 10 oktober 2000 bekend waren met de zwangerschap. 4.2. Op grond van artikel 3:310 lid 1 BW verjaren rechtsvorderingen tot vergoeding van schade na verloop van vijf jaren na aanvang van de dag, volgend op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. De verjaring kan worden gestuit door een schriftelijke mededeling van de benadeelde als bedoeld in artikel 3:317 BW. 4.3. Ten aanzien van het beroep op verjaring van de vordering van [eiser] jegens [gedaagde] stelt de rechtbank vast dat de brief van 10 oktober 2005, waarin [gedaagde] aansprakelijk wordt gesteld, uitsluitend namens [eiseres] en niet namens [eiser] is geschreven. De stelling van [gedaagde] dat [eiser] voorafgaand aan de datum van de dagvaarding, 24 juli 2007, geen stuitingshandeling heeft verricht, is onweersproken gebleven. Dit leidt tot de conclusie dat de vordering van [eiser] verjaard is. Dientengevolge zullen de vorderingen van [eiser] worden afgewezen. 4.4. Ten aanzien van het beroep op verjaring van de vordering van [eiseres] overweegt de rechtbank als volgt. Niet is komen vast te staan dat [eiseres] vóór 10 oktober 2000 met de zwangerschap bekend was, dan wel had kunnen zijn. De vermelding in de brief van DAS Rechtsbijstand, genoemd onder 2.9, dat [eiseres] in oktober 2000 zwanger blijkt te zijn, kan evenzeer zien op een datum eind oktober 2000. Voorts geldt dat blijkens de brief van [A], genoemd onder 2.8, [eiseres] was uitgerekend op 16 juli 2001, hetgeen teruggerekend neerkomt op een datum van conceptie medio oktober 2000. Daar komt bij dat redelijkerwijs niet valt aan te nemen dat [eiseres] na de conceptie onmiddellijk heeft beseft dat zij zwanger was, temeer niet nu zij gesteriliseerd was en met de mogelijkheid van een zwangerschap dus minder rekening behoefde te houden. Het beroep op verjaring ten aanzien van [eiseres] faalt derhalve. Primaire grondslag 4.5. [eiseres] beroept zich primair op onjuiste uitvoering van de sterilisatie, door misplaatsing van de gebruikte ring aan de rechter eileider, hetgeen door een onzorgvuldige dan wel niet uitgevoerde controle niet is onderkend. Daartoe heeft zij aangevoerd dat nu er sprake is van een ongeschonden eileider en van een op of aan het mesosalpinx verbonden ring, behoudens tegenbewijs, ervan uit dient te worden gegaan dat de ring op een onjuiste structuur, namelijk de mesosalpinx, is geplaatst en dat dit niet is opgemerkt door [gedaagde]. Nu adequate controle erop is gericht om de juiste positie van de ring te verifiëren, vermoedt [eiseres] dat er geen of geen adequate controle heeft plaatsgehad. De vermelding in het operatieverslag dat de tuba zou zijn verkleurd nadat de ringen waren aangebracht, doet aan dit vermoeden geen afbreuk omdat de mesosalpinx ook verkleurt wanneer deze wordt afgeklemd (en [gedaagde] ook wat betreft de vermelding de ene structuur voor de andere kan hebben gehouden). Volgens [eiseres] zijn er in casu twee oorzaken mogelijk: óf de ring is verkeerd geplaatst, óf de ring is na applicatie afgegleden. Van die laatste mogelijkheid is echter niet bewezen dat deze zich ooit heeft voorgedaan. Als deze zich heeft voorgedaan, geldt dat informed consent ontbreekt. 4.6. [gedaagde] betwist dat zij de Falope-ring onjuist zou hebben geplaatst. Zij stelt dat zowel de beschrijving van [B] als die van [A] aansluit bij de ten tijde van de ingreep binnen de beroepsgroep geaccepteerde richtlijn, waarin is beschreven dat een op zich goed geappliceerde Falope-ring na korte of langere tijd kan afschuiven en dat in het onderhavige geval niet is komen vast te staan dat de ring om de verkeerde structuur is aangebracht, zodat niet kan worden uitgesloten dat de ring na applicatie is afgeschoven. De rechtbank overweegt als volgt. 4.7. Ter beoordeling staat of [gedaagde] bij de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst met [eiseres] in negatieve zin is afgeweken van hetgeen van een redelijk handelend en redelijk bekwaam gynaecoloog onder gelijke omstandigheden mag worden verwacht, uitgaande van de kennis en ervaring in 1995 en van de toentertijd voor gynaecologen geldende professionele standaard. 4.8. Bij de beantwoording van die vraag wordt betekenis toegekend aan de richtlijn van de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie betreffende de Sterilisatie bij de vrouw, van juli 2000, (hierna: NVOG Richtlijn). De rechtbank beschouwt deze als een weergave van de binnen de beroepsgroep geldende opvattingen omtrent de vraag waar de grens loopt tussen een niet effectieve en een verkeerd uitgevoerde sterilisatie. De betwisting van de inhoud van de richtlijn is onvoldoende gemotiveerd om de richtlijn terzijde te stellen. In de richtlijn is vermeld dat een goed geappliceerde ring of clip postoperatief van de tuba kan afglijden, zodat in deze gevallen, zelfs als de doorgankelijkheid van de tuba intact is en/of de tuba onbeschadigd is, niet altijd sprake hoeft te zijn van operator-failure. De richtlijn vermeldt verder dat een operator-failure alleen eenduidig kan worden vastgesteld indien blijkt dat de verkeerde structuur is gecoaguleerd of is voorzien van een ring of clip. De vraag is dus of van dit laatste sprake is. 4.9. Bij de beantwoording van die vraag is van belang dat [B] in zijn rapport heeft geoordeeld dat zeer onwaarschijnlijk is dat de ring niet op de eileider is geplaatst maar op een structuur die voor eileider werd aangezien. Daarvoor heeft [B] zich gebaseerd op de locatie waar de ring is aangetroffen, namelijk adhaesief verbonden aan het midden van de eileider, en het operatieverslag waarin [gedaagde] de verkleuring van de eileider heeft vastgesteld en waarin bovendien is vermeld dat op de linker eileider een tweede ring is geplaatst omdat was vastgesteld dat de eerste ring om de linker eileider niet goed geplaatst was vanwege een te korte lus. Verder heeft [B] in aanmerking genomen dat de zwangerschap bij [eiseres] pas 4,5 jaar na de sterilisatie is opgetreden, zodat mag worden aangenomen dat er enige tijd sprake is geweest van bescherming tegen zwangerschap. 4.10. De omstandigheid dat sprake is van een ongeschonden eileider en van een ring die ruim 6 jaar na de sterilisatie op of aan het mesosalpinx bleek te zijn verbonden is gegeven dit gemotiveerde oordeel van de deskundige onvoldoende om, behoudens tegenbewijs, misplaatsing van de ring aan te nemen. Zelfs indien op grond van de bevindingen van [C], weergegeven onder 2.13, zou moeten worden aangenomen dat [B] niet kan worden gevolgd in zijn aanname dat sprake is van migratie van de ring richting mesosalpinx met recanalisatie van de tuba omdat een ongeschonden eileider is aangetroffen, doet dat niet af aan het oordeel van [B] omtrent de verklaring sub 2. dat de ring niet op de tuba is geplaatst maar op een structuur die voor tuba werd aangezien. De motivering voor dat oordeel is toereikend om te weerleggen dat de door [eisers] gestelde oorzaak zich heeft voorgedaan. Het beroep van [eiseres] op de overgelegde brief van [C] faalt derhalve. Gelet hierop behoeven de bezwaren van [gedaagde] tegen de bevindingen van [C] dan ook geen nadere bespreking. 4.11. Dat in de hiervoor genoemde richtlijn van NVOG is vermeld dat een plooi van de mesosalpinx voor de tuba kan worden aangezien, kan evenmin leiden tot de vaststelling dat de ring om de mesosalpinx is geplaatst. In de NVOG Richtlijn wordt ter voorkoming van deze vergissing aanbevolen de gehele eileider te inspecteren tot en met het fimbriale uiteinde. De stelling dat geen controle is uitgevoerd, is tegenover het overgelegde operatieverslag, dat overeenkomstig de daarvoor geldende normen binnen de beroepsgroep door [gedaagde] is opgesteld, onvoldoende onderbouwd. [gedaagde] heeft ter zitting toegelicht dat artsen in de opleiding tot het uitvoeren van een sterilisatie met ringen op het uitvoeren van deze verificatie worden getraind. Voorts heeft [gedaagde] ter zitting onweersproken betoogd dat de mesosalpinx en de eileider duidelijk verschillend van structuur zijn en dat de mesosalpinx veel meer bloedvaten bevat en onder de eileider ligt, zodat plaatsing om de mesosalpinx om die reden al onwaarschijnlijk is. Een en ander maakt eens te meer waarschijnlijk dat het operatieverslag niet op een vergissing berust. 4.12. [eiseres] heeft verder onder verwijzing naar het rapport-[B] benadrukt dat het onwaarschijnlijk is dat de ring meteen na plaatsing is afgegleden omdat deze dan in de vrije buikholte valt, hetgeen hier niet is gebeurd. Deze stelling kan [eisers] niet baten. De onwaarschijnlijkheid van één van de door de deskundige opgesomde oorzaken brengt de waarschijnlijkheid van de door [eiseres] gestelde andere oorzaak niet mee. Er zijn immers nog meer mogelijkheden. Zo lijkt [A] uit te gaan van het afglijden van de ring kort na de applicatie om de eileider en wordt die mogelijkheid door [B] weliswaar minder waarschijnlijk geacht maar niet uitgesloten. 4.13. Het hiervoor overwogene leidt ertoe dat de rechtbank van oordeel is dat de door [eiseres] gestelde verklaring voor de mislukte sterilisatie, dat de ring op de mesosalpinx is geplaatst, niet kan worden aangenomen, reeds niet omdat de mogelijkheid van de hiervoor besproken alternatieve verklaringen door [eiseres] niet is weerlegd. De mindere waarschijnlijkheid van die alternatieve verklaringen maakt op zichzelf de door [eiseres] aangehangen verklaring niet waarschijnlijker. Het kan immers ook zijn dat de oorzaak meer kan worden vastgesteld. Subsidiaire grondslag 4.14. [eiseres] beroept zich subsidiair op het ontbreken van informed consent. Zij stelt dat zij voorafgaand aan de operatie niet is geïnformeerd over de (technische aspecten van de) verschillende methoden en over de techniek die zou worden gebruikt bij de sterilisatie en dat derhalve de ingreep zonder toestemming als bedoeld in artikel 7:450 BW is uitgevoerd. 4.15. [gedaagde] betwist de stellingen van [eiseres] hieromtrent en stelt dat zij haar patiënten gewoonlijk in het pre-operatieve gesprek informeert over de techniek van sterilisatie en dat afhankelijk van de bevindingen tijdens de ingreep wordt besloten één van beide methoden te hanteren. Voorts stelt [gedaagde] dat zowel in het geval van sterilisatie met Falope-ringen als met clips zwangerschappen kunnen optreden door het falen van de methode zelf. 4.16. In het verband van deze grondslag heeft [gedaagde] zich beroepen op twee passages in de NVOG Richtlijn, die voor zover van belang als volgt luiden: “(…) Bij een interim-analyse na 1 jaar van een nog voortgaande gerandomiseerde trial, waarbij de Filshieclip vergeleken wordt met Faloperingen, wordt voor beide methoden ongeveer dezelfde mislukkingskans gezien. (…) Bij laparoscopische sterilisatie is mechanische occlusie van de tubae (door middel van ringen of clips) de methode van eerste keus. (…)” 4.17. Aan [eiseres] dient te worden toegegeven dat het enkele feit dat de percentages van mislukkingen bij ringen en clips hetzelfde zijn, nog niets zegt over de betrouwbaarheid van de ringen, dan wel over de oorzaken van de mislukkingen. Ook wat betreft deze grondslag ligt de stelplicht echter bij [eiseres]. [eiseres] zal gegevens moeten stellen – en bij betwisting bewijzen – waaruit blijkt dat gebruik van clips in het algemeen of in het onderhavige geval zodanig andere kans op mislukking had meegebracht dan het gebruik van ringen dat de keuze voor de ene of de andere methode van belang wordt. Slechts in dat geval kan immers een verplichting voor de arts worden aangenomen om de voor- en nadelen van de ene en de andere methode met de patiënt te bespreken. 4.18. Aan die stelplicht heeft [eiseres] niet voldaan. Zij heeft niet aangegeven op grond van welke medisch relevante omstandigheden een arts gehouden is voor de ene of de andere methode te kiezen en evenmin of en hoe de aanwezigheid van die omstandigheden is vast te stellen op een moment waarop overleg nog mogelijk is, dus voordat de ingreep plaatsvindt. Onder die omstandigheden kan niet worden volgehouden dat de informatieplicht zich uitstrekt tot de keuze voor de ene dan wel de andere methode, nog daargelaten dat op het moment van uitvoering van de sterilisatie in dit ziekenhuis uitsluitend ringen werden gebruikt. Conclusie 4.19. De rechtbank concludeert dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] bij de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst met [eiseres] niet heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend gynaecoloog onder gelijke omstandigheden mag worden verwacht. De vorderingen van [eiseres] zullen worden afgewezen. Kosten 4.20. [eisers] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op: - vast recht 251,00 - salaris procureur 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00) Totaal EUR 1.155,00 5. De beslissing De rechtbank 5.1. wijst de vorderingen af, 5.2. veroordeelt [eisers] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op EUR 1.155,00, 5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2008.?