Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BD8291

Datum uitspraak2008-07-15
Datum gepubliceerd2008-07-24
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers08/3210 WWB-VV + 08/3212 WWB-VV + 08/3272 WWB-VV
Statusgepubliceerd


Indicatie

Niet-ontvankelijkverklaring verzoek om voorlopige voorziening. Griffierecht niet tijdig betaald.


Uitspraak

08/3210 WWB-VV 08/3212 WWB-VV 08/3272 WWB-VV Centrale Raad van Beroep U I T S P R A A K van DE VOORZIENINGENRECHTER VAN DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van: het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, (hierna: verzoeker), in verband met het hoger beroep van: [Naam betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene) tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 7 april 2008, 07/1274, 07/1275 en 07/1789 (hierna: aangevallen uitspraak) in het geding tussen: verzoeker en betrokkene I. PROCESVERLOOP Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Verzoeker heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan. Voor betrokkene heeft zich als gemachtigde gesteld mr. E.D.B. Groeneweg, advocaat te Utrecht. II. OVERWEGINGEN Ingevolge het bepaalde in artikel 18 en 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed gelet op betrokken belangen, dat vereist. In het eerste lid van artikel 23 van de Beroepswet is bepaald dat door de griffier een griffierecht wordt geheven. Artikel 22, vierde lid, van de Beroepswet is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de termijn binnen welke bijschrijving of storting van het verschuldigde bedrag dient plaats te vinden twee weken bedraagt. Bij brief van 10 juni 2008 is verzoeker erop gewezen dat er ter zake van het ingediende verzoek een griffierecht van € 433,-- is verschuldigd, welk bedrag binnen twee weken dient te zijn voldaan, bij voorkeur door middel van de aangehechte acceptgirokaart. Bij aangetekende brief van 24 juni 2008 is verzoeker nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen één week dient te zijn bijgeschreven op de rekening van de Centrale Raad van Beroep dan wel ter griffie dient te zijn gestort. Daarbij is erop gewezen dat overschrijding van die termijn kan leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek om voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter stelt vast dat het griffierecht niet binnen de termijn is betaald. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan de niet-tijdige betaling verontschuldigbaar is. Uit het voorgaande volgt dat het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk is, zodat de voorzieningenrechter, gelet op artikel 8:83, derde lid, van de Awb, uitspraak kan doen zonder zitting. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding. III. BESLISSING De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep, Verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2008. (get.) G.A.J. van den Hurk. (get.) A. Badermann. IJ