Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BD8377

Datum uitspraak2008-07-18
Datum gepubliceerd2008-07-24
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/5068 WAZ
Statusgepubliceerd


Indicatie

Weigering WAZ-uitkering toe te kennen. Voldoende medische grondslag?


Uitspraak

06/5068 WAZ Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 14 juli 2006, 05/1206 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 18 juli 2008 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. R.W. van Voorst Vader, advocaat te Terneuzen, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juni 2008. Appellante is verschenen bij haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Reitsma. II. OVERWEGINGEN 1. Het inleidende beroep richt zich tegen het besluit van het Uwv van 14 oktober 2005, waarbij het Uwv - beslissend op bezwaar - heeft gehandhaafd de afwijzing van de aanvraag van appellante om toekenning van een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) omdat er geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid per 15 juni 2003. Voor een overzicht van de aan het besluit van 14 oktober 2005 voorafgegane relevante feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. 2. De rechtbank heeft het beroep - op de in de uitspraak opgenomen overwegingen - ongegrond verklaard. 3. In hoger beroep heeft appellante - evenals in bezwaar en beroep - onder verwijzing naar de door haar overgelegde informatie van de behandelende sector aangevoerd dat in het medisch onderzoek is miskend dat haar beperkingen zijn toegenomen en dat dientengevolge de mate van arbeidsongeschiktheid is toegenomen. Zij geeft daarbij aan dat haar klachten ten opzichte van het onderzoek van 22 juni 2001 zijn toegenomen. Appellante heeft in verband daarmee in hoger beroep nog een rapportage van medisch adviseur J.A.P.A. Warringa van 5 oktober 2006 overgelegd. Appellante acht de veronderstelling van het Uwv en de rechtbank dat er geen sprake is van zodanige geobjectiveerde toename van medische stoornissen dat een toename van de beperkingen in arbeid zou moeten worden aangenomen onvoldoende onderbouwd en gemotiveerd. 4. De Raad overweegt als volgt. 4.1 In hetgeen appellante naar voren heeft gebracht heeft de Raad geen aanleiding gevonden om tot een ander oordeel te komen dan door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is neergelegd. Appellantes stelling dat in het medisch onderzoek is miskend dat haar beperkingen zijn toegenomen vindt naar het oordeel van de Raad geen steun in de voorhanden zijnde medische gegevens. 4.1.1. De Raad overweegt in dit verband dat appellante eerst op 13 augustus 2004 naar aanleiding van een gesprek met de arbeidsdeskundige in het kader van beƫindiging van de toepassing van artikel 58 van de WAZ, op aanraden van deze arbeidsdeskundige is overgegaan tot het doen van de aanvraag. Daarbij is voor het aannemen van de toename van de beperkingen aangeknoopt bij de datum van het consult bij de oogarts op 15 juni 2003 welke appellante heeft doorverwezen naar de neuroloog J.C.M. van de Nes. Deze heeft blijkens zijn informatie van 14 oktober 2003 geconstateerd dat er sprake is van een status na het doormaken van enkele kleine infarcten die geleid hebben tot een gering gezichtsvelddefect en dat appellante voor het overige geen klachten had. Uit diens informatie van 3 januari 2005 valt voorts af te leiden dat de cardioloog op zijn terrein ook geen afwijkingen heeft gevonden behoudens de verhoogde bloeddruk. Gelet hierop hebben de rechtbank en het Uwv naar het oordeel van de Raad terecht - in navolging van de (bezwaar)verzekeringsarts - aan kunnen nemen dat er per 15 juni 2003 geen sprake is van toename van de beperkingen. Dat de eerder bestaande klachten zijn toegenomen per 15 juni 2003 wordt door appellante verder niet gestaafd met medische informatie. De Raad onderschrijft in dit verband het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts M. Hagedoorn, zoals verwoord in haar rapportage van 20 december 2006, dat de rapportage van medisch adviseur Warringa geen nieuwe medische feiten bevat en dat de daarin vervatte conclusie, dat de beperkingen zoals vastgelegd op 22 juni 2001 niet correct zijn, betrekking heeft op de datum van het onderzoek verricht op 28 september 2006 en niet ziet op de datum in geding en dat deze als zodanig niet relevant is voor de onderhavige beoordeling. 4.1.2. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep faalt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2008. (get.) J. Janssen. (get.) D.W.M. Kaldenhoven. RB