Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BD8458

Datum uitspraak2008-07-22
Datum gepubliceerd2008-07-23
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Arnhem
ZaaknummersAWB 07/2720
Statusgepubliceerd


Indicatie

Identiteit van degene voor wie bezwaar wordt gemaakt moet voor afloop bezwaartermijn kenbaar zijn. Geen herstelbaar vormverzuim.


Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM Sector bestuursrecht registratienummer: AWB 07/2720 uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van inzake [eiser], eiser, wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. A.P.J. Blokland, tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Buren, verweerder , alsmede [X] en [Y], bezwaarmakers, te [woonplaats]. 1. Aanduiding bestreden besluit Besluit van verweerder van 9 mei 2007, verzonden op 25 mei 2007. 2. Procesverloop Bij besluit van 21 maart 2006, verzonden op 29 maart 2006, heeft verweerder met toepassing van artikel 15 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) aan eiser vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het bouwen van twee bijgebouwen op het perceel kadastraal bekend gemeente Lienden, sectie O, nummer 632, plaatselijk bekend Hoogmeien 20 te Lienden (hierna: het primaire besluit). Bij het bestreden besluit heeft verweerder conform het advies van de Commissie Bezwaarschriften van 8 februari 2007 het door bezwaarmakers gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen, de raad van de gemeente Buren gevraagd of hij bereid is een vrijstellingsprocedure ex artikel 19, eerste lid, van de WRO te starten en, nadat deze vrijstellingsprocedure is doorlopen, een nieuwe beslissing te nemen op de aanvraag om bouwvergunning, zijnde (het vervolg op) de beslissing op bezwaar. Tegen dit besluit is beroep ingesteld. Bij schrijven van 21 juli 2007 hebben bezwaarmakers zich gesteld als partij in het geding. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 25 juni 2008. Eiser is aldaar met zijn partner verschenen, bijgestaan door mr. A.P.J. Blokland, advocaat te Ede. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. C.P.A. Bots, ambtenaar van de gemeente Buren. Bezwaarmakers zijn in persoon verschenen. 3. Overwegingen 3.1. In geschil is slechts de vraag of verweerder het bezwaar van bezwaarmakers tegen het primaire besluit terecht ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende. 3.2. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder andere de uitspraak van 29 augustus 2000, in zaak nr. 199903225/1, volgt dat de omstandigheid dat beroep wordt ingesteld namens een persoon van wie tijdens de beroepstermijn de identiteit niet kenbaar is, niet kan worden beschouwd als een vormverzuim dat op grond van artikel 6:6 van de Awb kan worden hersteld. In dat geval staat tijdens de beroepstermijn immers in het geheel nog niet vast of er iemand is die beroep wil instellen. De artikelen 6:5 en 6:6 van de Awb strekken er niet toe het mogelijk te maken beroep in te stellen namens nog onbekende personen. Daardoor namelijk wordt voor deze personen de beroepstermijn verlengd, zonder dat sprake is van verschoningsgronden in de zin van artikel 6:11 van de Awb. De in artikel 8:1 in samenhang met artikel 6:7 en 6:11 van de Awb neergelegde regeling van de beroepstermijn brengt met zich dat de identiteit van degene voor wie beroep wordt ingesteld voor afloop van de beroepstermijn kenbaar moet zijn. De rechtbank ziet geen aanleiding anders te oordelen met betrekking tot het namens een ander maken van bezwaar. 3.3. Uit het bezwaarschrift van 7 mei 2006, waarmee bezwaarmakers bezwaar hebben gemaakt tegen het primaire besluit, blijkt niet dat zij niet hebben beoogd voor zichzelf bezwaar te maken. Destijds waren bezwaarmakers bewindvoerder onderscheidenlijk mentor van wijlen [Z] (hierna: [Z]), die woonachtig was naast het perceel waarop het bouwplan is geprojecteerd en derhalve was aan te merken als belanghebbende bij het primaire besluit. Bezwaarden zijn niet woonachtig in de directe nabijheid van dat perceel, maar in [woonplaats]. Dat hun eigen belang anderszins rechtstreeks bij het primaire besluit is betrokken, is niet gebleken. Eerst na afloop van de bezwaartermijn hebben bezwaarmakers bij brief van 22 mei 2006 gesteld te hebben beoogd niet namens zichzelf, maar namens [Z] bezwaar te maken. Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting van de bezwarencommissie op 6 juli 2006 hebben bezwaarmakers daartoe een machtiging van de kantonrechter gevraagd, welke op 13 juli 2006 is verleend. 3.4. Uit het vorenstaande volgt dat bezwaarmakers niet mochten worden aangemerkt als degenen die tijdig namens [Z] bezwaar hebben gemaakt. Anders dan verweerder kennelijk meent, was hier geen verzuimsituatie aanwezig die met toepassing van artikel 6:6 van de Awb kon worden hersteld. Aan het in artikel 6:5 van de Awb bedoelde vereiste dat het bezwaarschrift de naam van de indiener bevat was immers voldaan omdat het de naam van de bezwaarmakers bevatte. 3.5. Het betoog van eiser dat verweerder het bezwaar ten onrechte ontvankelijk heeft geacht en het primaire besluit op de grondslag daarvan heeft herroepen, is derhalve juist en treft doel. 3.6. Nu het bestreden besluit genomen is in strijd met artikel 7:1, eerste lid in samenhang gelezen met artikel 8:1, eerste lid, van de Awb, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Nu uit het vorenstaande volgt dat rechtens slechts mag worden besloten tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar, zal de rechtbank daartoe met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf overgaan en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Dit heeft dus tot gevolg dat het primaire besluit “herleeft”. Verweerder behoeft derhalve geen nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen. 3.7. De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 644 aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken. 3.8. Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing. 4. Beslissing De rechtbank - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - verklaart het bezwaar van [X] en [Y] niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit; - veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644 en wijst de gemeente Buren aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden; - bepaalt dat de gemeente Buren het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 143 aan hem vergoedt. Aldus gegeven door mr. M. Groverman, rechter, in tegenwoordigheid van mr. P. van der Stroom, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2008. . De griffier, De rechter, Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. Verzonden op: 22 juli 2008