Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BD8486

Datum uitspraak2008-07-15
Datum gepubliceerd2008-07-24
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Zutphen
Zaaknummers06/460299-07
Statusgepubliceerd


Indicatie

Verdachte is vrijgesproken van de hem tenlastegelegde verkrachting. Zowel de officier van justitie als de raadsman van de verdachte concluderen ter zitting dat er geen wettig en overtuigend bewijs is. De rechtbank oordeelt dat er ontoereikend bewijsmateriaal is om het zeer ernstige misdrijf verkrachting te kunnen bewijzen.


Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN Sector Straf Meervoudige kamer Parketnummer: 06/460299-07 Uitspraak d.d.: 15 juli 2008 tegenspraak / dnip VONNIS in de zaak tegen: [verdachte], geboren te [plaats, 1980], wonende te [adres]. Onderzoek van de zaak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting 1 juli 2008. De tenlastelegging Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting is gewijzigd is aan de verdachte ten laste gelegd dat: hij in of omstreeks de periode van 20 juli 2006 tot en met 21 juli 2006 te Ermelo door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte - zijn, verdachtes, tong (met kracht) in de mond van die [slachtoffer] gebracht en/of gehouden en/of die [slachtoffer] getongzoend en/of - zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en/of gehouden en/of zijn penis heen en weer bewogen in de vagina van die [slachtoffer] en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte - die [slachtoffer] (met kracht) bij haar armen heeft gepakt en/of heeft vastgehouden en/of - (vervolgens) die [slachtoffer] naar een slaapkamer heeft geduwd en/of gebracht en/of - het rokje en/of de onderbroek, althans enig kledingstuk, van die [slachtoffer] heeft uitgedaan en/of uitgetrokken en/of - die [slachtoffer] op een bed heeft gelegd en/of gedrukt en/of gehouden en/of - de benen van die [slachtoffer] uit elkaar heeft gedaan en/of gedrukt en/of gehouden en/of - (daarbij) tegen die [slachtoffer] heeft gezegd dat hij, verdachte, seks met die [slachtoffer] wilde hebben op het graf van [naam 1] (zijnde verdachtes overleden echtgenote) en/of - (daarbij) tegen die [slachtoffer] praatte over de duivel en/of over hoe blij de duivel zou zijn en/of - (daarbij) tegen die [slachtoffer] zei: "dat hij [naam 2] dood wilde hebben" en/of - zich agressief en/of dominant en/of dwingend heeft opgesteld en/of gedragen en/of - misbruik heeft gemaakt van de (geestelijk) kwetsbare en/of zwakke posittie van die [slachtoffer] en/of - misbruik heeft gemaakt van het uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of - (aldus) voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan; art 242 Wetboek van Strafrecht Vrijspraak Ter terechtzitting hebben de officier van justitie en de raadsman geconcludeerd, dat voor de ten laste gelegde verkrachting wettig en overtuigend bewijs ontbreekt, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende. Gelet op het onderzoek van de zaak kan worden vastgesteld, dat verdachte in de nacht van 20 op 21 juli 2006 in haar slaapkamer en bed (voor het eerst samen) seksuele gemeenschap heeft gehad met aangeefster, dat verdachte daarbij veel energie en hartstocht vertoonde en bizarre uitlatingen deed zoals in de dagvaarding omschreven, dat aangeefster de volgende dag de waarnemend huisarts moest raadplegen in verband met een ontstoken wond bij het schaambot, ribkneuzingen en een schaafwond bij de kin, dat zij na het gebeuren een terugval heeft gehad in haar behandeling voor anorexia en dat zij met haar ouders om emotionele redenen is verhuisd, nadat zij (ook) hen had ingelicht over het gebeuren en daarvan op 23 februari 2007 aangifte had gedaan. Deze vaststellingen ondersteunen de aangifte, op zijn minst in die zin dat zij duidelijk maken dat verdachte niet zachtzinnig te werk is gegaan, dat aangeefster aan de seksuele gemeenschap slechte herinneringen bewaart en dat heel aannemelijk is, dat zij deze gemeenschap, al dan niet vanaf het begin, heeft ervaren als van haar kant onvrijwillig. Voor bewezenverklaring van het zeer ernstige misdrijf verkrachting is evenwel noodzakelijk, dat het bewijsmateriaal ook tot de overtuiging kan leiden, dat de verdachte een of meer van de ten laste gelegde dwangmiddelen heeft ingezet teneinde verzet van het slachtoffer te breken of te voorkomen, althans dat de verdachte willens en wetens voorbij is gegaan aan de aanmerkelijke kans, dat het slachtoffer bedoelde middelen en gemeenschap zou ervaren als dwang respectievelijk onvrijwillig. Ook naar het oordeel van de rechtbank is het bewijsmateriaal voor zodanige conclusie ontoereikend. Redengevend voor dit oordeel is in de eerste plaats, dat verdachte omtrent de aanloop tot en toedracht van de seksuele gemeenschap wezenlijk anders heeft verklaard dan aangeefster, dat hij op dwang gerichte gedragingen/feitelijkheden nadrukkelijk heeft tegengesproken en dat hij heeft gesteld, dat alle seksuele handelingen in zijn beleving hebben plaatsgevonden met volledige instemming en medewerking van aangeefster. Daarbij komt nog, dat verdachte ook heeft verklaard, dat hij toenmaals op aangeefster verliefd was en dat volgens hem voor en na 20 juli 2006 gebeurtenissen hebben plaatsgevonden, waaruit hij mocht concluderen, dat die verliefdheid wederzijds was en ook seksueel contact kon medebrengen. Hoewel aangeefster dit alles heeft bestreden, zijn uit het onderzoek wel aanknopingspunten naar voren gekomen, die verdachtes visie op dit punt lijken te ondersteunen althans begrijpelijk maken. Daarbij valt niet alleen te denken aan de intensiteit van het SMS-verkeer tussen de betrokkenen in beide periodes, maar ook aan de omstandigheid dat op 20 juli 2006 op diverse plaatsen in de woning uitvoerig (tong)zoenen voorafging aan de seksuele gemeenschap, de omstandigheid dat aangeefster op 28 juli 2006 van Ermelo naar Hoorn reisde en daar opnieuw seksuele gemeenschap had met verdachte en de omstandigheid dat vele maanden verstreken alvorens aangifte werd gedaan. Nu voorts uit de aangifte blijkt, dat aangeefster zich fysiek niet heeft verzet tegen (de aanloop tot) de seksuele gemeenschap, valt tegen bovengeschetste achtergrond niet met redelijke zekerheid uit te sluiten, dat het tot verdachte, zoals hij bij zijn eerste politieverhoor ook onderkende, niet is doorgedrongen, dat aangeefster zijn seksuele handelingen niet (meer) wenste, ook al zou aangeefster, zoals zij stelt, dit voor hem wel kenbaar hebben gemaakt. Zodanige gang van zaken zou wel moreel verwijt, maar geen strafrechtelijke veroordeling kunnen rechtvaardigen. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van het ten laste gelegde feit. Vordering tot schadevergoeding De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 7.000,- gevoegd in het strafproces ten aanzien van het ten laste gelegde. Deze benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering, nu verdachte wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde. De benadeelde partij kan derhalve haar vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter. Beslissing De rechtbank: - verklaart niet bewezen, dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij. - verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in haar vordering. - heft op het -geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis. Aldus gewezen door mrs. Van Harreveld, voorzitter, Van der Hooft en Van de Wetering, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Van Erp, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 15 juli 2008.