Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BD8501

Datum uitspraak2008-07-22
Datum gepubliceerd2008-07-24
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/2175 WWB
Statusgepubliceerd


Indicatie

Niet betalen van griffierecht. Toetsing Procesregeling bestuursrecht. De rechtbank heeft het beroep van appellante onterecht niet-ontvankelijk verklaard.


Uitspraak

07/2175 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 1 maart 2007, 06/5760 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rijnwaarden (hierna: College) Datum uitspraak: 22 juli 2008 I. PROCESVERLOOP Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de rechtbank Arnhem om inlichtingen gevraagd. De rechtbank heeft op die vraag gereageerd bij brief van 28 april 2008. De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 1 juli 2008, waar partijen niet zijn verschenen. II. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Bij besluit van 31 maart 2006 heeft het College de ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Wet werk en bijstand voor appellante geldende beperkingen gespecificeerd, rekening houdende met uit onderzoek gebleken beperkingen van appellante. 1.2. Bij besluit van 28 september 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 31 maart 2006 ongegrond verklaard. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 28 september 2006 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat appellante het verschuldigde griffierecht niet (tijdig) heeft voldaan en dat niet gebleken is van omstandigheden op grond waarvan appellante redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest. 3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Artikel 8:41, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat van de indiener van het beroepschrift door de griffier een griffierecht wordt geheven. 4.2. Artikel 8:41, tweede lid van de Awb bepaalt - voor zover hier van belang - dat de griffier de indiener van het beroepschrift wijst op de verschuldigdheid van het griffierecht en deelt hem mee dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de dag van verzending van zijn mededeling dient te zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank dan wel ter griffie dient te zijn gestort. Indien het bedrag niet binnen deze termijn is bijgeschreven of gestort, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. 4.3. Artikel 5, tweede lid, van de Procesregeling bestuursrecht (Stcrt. 2005, nr. 53, pag. 30) luidde ten tijde hiervan belang: “indien na de verzending van de uitnodiging per gewone post de termijn waarbinnen dient te worden betaald is verstreken en het verschuldigde griffierecht niet is ontvangen, wordt de mededeling, bedoeld in artikel 8:41, tweede lid, van de Awb, aangetekend wordt verzonden.” 4.4. De Raad stelt op grond van de gedingstukken vast dat zich onder de gedingstukken geen afschrift van een aan appellante geadresseerde brief bevindt, als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Procesregeling bestuursrecht in verbinding met artikel 8:41, tweede lid, eerste volzin, van de Awb. Ook desgevraagd heeft de rechtbank geen afschrift van een dergelijke brief kunnen overleggen. 4.5. Nu uit rechtsoverweging 4.4 volgt dat de Raad niet kan vaststellen dat artikel 5, tweede lid, van de Procesregeling bestuursrecht is nageleefd, heeft de rechtbank, door het beroep van appellante niet-ontvankelijk te verklaren op de grond dat het griffierecht niet (tijdig) is betaald, naar het oordeel van de Raad ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 8:41, tweede lid, tweede volzin, van de Awb. 4.6. Het hoger beroep slaagt derhalve. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De Raad zal de zaak terugwijzen naar de rechtbank Arnhem. 4.7. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten, nu in hoger beroep van voor vergoeding in aanmerking komende kosten niet is gebleken. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Wijst de zaak terug naar de rechtbank Arnhem; Bepaalt dat de gemeente Rijnwaarden aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 106,-- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en J.J.A. Kooijman en C.J. Borman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J. Bernhagen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2008. (get.) G.A.J. van den Hurk (get.) M.J. Bernhagen